€ 12,95

PRINT boek

niet beschikbaar

ePUB ebook

niet beschikbaar

Meer van deze auteur


  • De hooizolder (PDF)

  • Mokhe\\\'lm Bhembe (PDF)

Ga en vermenigvuldig u

Zihua Taneju • ebook • pdf

  • Samenvatting

    In het dorp Lamberdinge wordt de Sint Bataviruskerk door senioren bezet uit protest tegen de weigering van het bisdom om het initiatief van pastoor Dries te steunen, namelijk een boksmatch voor het goede doel. De pastoor zou het opnemen tegen Jos, een oud-bokskampioen bij de zwaargewichten. De bisschop dreigt echter de pastoor uit zijn ambt te zetten en dat nemen de senioren niet. Hun actie krijgt ruime persaandacht en verdeelt de kerkgemeenschap in voor- en tegenstanders. De strijd laait op. Het initiatief dat onschuldig in een volkscafé een aanvang vond, wordt wereldnieuws.

     

  • Productinformatie
    Binding : PDF
    Auteur : Zihua Taneju
    Bestandstype : PDF
    Distributievorm : Ebook (digitaal)
    Aantal pagina's : Afhankelijk van e-reader
    Beveiliging : Geen   Informatie 
    Uitgeverij : Niet bekend
    ISBN : Geen
    Datum publicatie : 09-2011
  • Inhoudsopgave

    Ga en vermenigvuldig u

     

     

     

    In café d’Ambacht tapte Romanie twee ‘dikke boterhammen’ met een afgemeten schuimkraag voor Jos en Benoit die net terug waren van even weggeweest. Een half uurtje had het geduurd, en in dat half uurtje waren ze de auto van den Bolle in het rood gaan schilderen, met plakkaatverf. Nu leken het twee kinderen die zaten na te genieten van hun kattenkwaad. Palmiere en Romanie wisselden een blik van verstandhouding met elkaar. Het liefst zouden ze die twee over de knie willen leggen om hen flink wat kletsen op hun kont te geven. En ze waren niet de enige die dat zouden willen. Wat het duo De Knotselaer - Van Zenuwen al uitgestoken had was met geen woorden te beschrijven.

    Vorig jaar hadden ze het altaar van de dorpskerk in een zijbeuk en het elektronisch orgeltje van de koster in de preekstoel gezet. Hoe ze de kerk waren binnen geraakt was voor iedereen een raadsel. Jos mocht dan wel een slotenmaker zijn, hij kon niet toveren, en als loodgieter was Benoit dan misschien wel een bekwaam vakman, er viel weinig of niets te beginnen tegen alle voorzieningen die van de Sint Bataviruskerk een versterkte burcht gemaakt hadden. Die voorzieningen waren er niet voor niets gekomen. Zeven jaar geleden was er ingebroken in de kerk. Dieven hadden een zijdeur geforceerd en waren met een kostbaar schilderij van graaf Lodevic Courture Van Immerseel gaan lopen - De zaligmaking van Ludgard - samen met een houten sculptuur uit de zestiende eeuw dat de heilige Anthonis voorstelde en verder nog wat kaarsen die ooit - zo beweerde men althans - door de paus gezegend waren. Men was de dieven nooit op het spoor gekomen. De verslagenheid bij het kerkbestuur was groot geweest. Na grondig overleg was unaniem besloten om grendels te laten placeren aan de binnenkant van alle kerkdeuren, grendels van zwaar kaliber. Zo was geschied. Iedere deur, elk luik, ieder gaatje waarlangs men zich toegang had kunnen verschaffen, hoe klein ook, was afgesloten, gebarricadeerd, dichtgemetseld. De eikenhouten poorten van de hoofingang waren met een extra gebinte van zware eiken balken verstevigd en werden met een mechanisme van radarwielen bediend als betrof het deuren van een riviersluis. De zijingang had een deur gekregen zo dik als die van een brandkast, voorzien van pincode en alarm. Buiten de pastoor en de koster had niemand de combinatie gekend. Bovendien was het voor de koster een erezaak geweest om iedere avond voor sluitingsuur een inspectieronde te maken en zorgvuldig te controleren of alle deuren goed afgesloten waren. Allerhande sensoren hadden onder zijn bevel de nachtdienst voor hun rekening genomen en als uilenogen in het duister geloerd op zoek naar de minste beweging. Geen levende ziel die zonder veel kabaal te maken of loeiende sirenes in werking te stellen de kerk had kunnen betreden.

    Toch was het Jos en Benoit gelukt. Maar ze repten met geen woord over het – hoe -. En niemand die begreep hoe ze die verhuis klaar gespeeld hadden. Het was niet vanzelfsprekend om dat elektronisch orgel, ook al was het maar een klein prul, langs de smalle en gevaarlijk steile wenteltrap zes meter hoog naar de preekstoel te sleuren. Voorts was er het altaar, vervaardigd door Tist De Vries & Zoon, een eikenhouten zwaargewicht van bijna twee ton. Het transport van het gevaarte had geen spoor nagelaten. Er was geen kras op de vloer en nergens een schrammetje te vinden geweest. Niets. Het was een mirakel hoe dat altaar twintig meter verder was geraakt, alsof het naar de zijbeuk gezweefd was. Een mirakel was het.

    Toen de volgende morgen pastoor Gustaaf Sijnaeve in het gezelschap van koster Odilon Vervoot de kerk was binnengekomen om zich gereed te maken voor de vroegmis, had hij naar verluid bijna een infarct gekregen. De koster was krijtwit geworden toen hij de leegte had gezien op de plek waar zijn orgel gestaan had. Hij was zodanig ontzet geweest dat hij vergeten was om de klokken te luiden, iets wat voor de ijverige en geloofstrouwe koster al reden genoeg was om drie weken lang op water en brood te leven. Hij had zelfs luid gevloekt in de kerk, een dikke NONDEDJUU voorafgegaan door wel een dozijn godvers.

    Vele gelovigen waren die ochtend te laat gekomen voor de mis of waren zelfs helemaal niet komen opdagen, totaal gedesoriënteerd als ze waren geweest door het ontbreken van klokkengelui. Dat had pastoor Sijnaeve nog bozer gemaakt. Hij had zijn goed voorbereidde preek laten vallen om zijn beminde gelovigen, in het bijzonder twee van hen die onschuldig als heiligen op de eerste rij gezeten hadden, met geïmproviseerde dreigtaal toe te spreken als een führer. Het had niet veel gescheeld of hij had in een opwelling het boek van Lucas gevolgd door een kelk en de schaal met hosties naar hun hoofden gesmeten. De koster had noodgedwongen het hoofdorgel bespeeld en uit colère het volume zodanig hoog gezet dat de kerk op haar grondvesten gedaverd had. Tussendoor waren zijn talrijke godvernondedjuus nog duidelijk te horen geweest.

    Pas­toor Sijnaeve was ondertussen al een half jaar met pensioen, maar hij had zijn opvolger Dries Corvee gewaarschuwd voor de streken van twee dierbare paro­chianen.

     

    ‘Als hij binnenkomt, zal het jullie beste dag niet zijn,’ zei Romanie vermanend terwijl ze Jos en Benoit hun pintjes voorzette. Ieder moment verwachte ze den Bolle die zou komen binnenstuiven om die twee naar hun nek te grijpen en hen ter plaatse te wurgen. En ze zouden er weinig kunnen aan doen want den Bolle was ne grote manskerel en zo sterk als een stier.

    Eigenlijk noemde hij Jan Koterdeeg, maar iedereen kende hem als den Bolle, een bijnaam waarmee hij als kind was gepest omdat hij een mollig ventje was geweest, met bolle kaken. Maar vrijwel niemand durfde hem nog te pesten, want den Bolle was nu een vent van iets meer dan twee meter met handen als koolschoppen die een noot konden kraken tussen duim en wijsvinger en die dikke stukken ijzer konden plooien alsof het rubber was. Als smid kon den Bolle zoveel force goed gebruiken. Er kwam in zijn werkplaats geen takel aan te pas om de zware stukken die hij smeedde te verplaatsen of in- en af te laden. Alles deed hij op eigen kracht. Met den Bolle viel nu niet meer te lachen. Daar zou Fred Fillewijn de melkboer van kunnen meespreken hebben wanneer hij nog geleefd had. Niet dat den Bolle hem doodgeslagen had, maar het had niet veel gescheeld. Het gebeurde drie jaar geleden. Fred had de gewoonte gehad om na zijn melkronde zijn pintjes te komen drinken en dan te beginnen zeveren en zwanzen. Op een keer was den Bolle toegekomen met een aanhangwagen vol ijzeren getraliede staldeuren die hij moest gaan leveren bij een manege. In een weddingschap met Jos en Benoit had Fred van een onbewaakt moment gebruik gemaakt om de riemen waarmee de staldeuren vast gesjord zaten, los te maken. Den Bolle had kennelijk niets in de gaten gehad en was weer vertrokken, en nog geen tien meter verder was de vracht van zijn aanhangwagen gedonderd, de straat op. Den Bolle was rustig uitgestapt en had de bestelwagen van Fred op zijn kant gekieperd. Met oorverdovend gerinkel waren de melkflessen aan gruzelementen gebroken. Behalve pakjes boter en potjes yoghurt was de rest van ZUIVEL FILLEWIJN naar de knoppen geweest in één grote smurrie van glasscherven en melk in een rommel van plastieken kratten. ‘De rekening is vereffend,’ had den Bolle Fred toegeworpen. Fred had daar, gezien de ravage, wijselijk mee ingestemd. Kort daarna was Fred bij herstellingswerken door het dak van zijn magazijn gezakt en tien meter lager op de betonnen vloer tot moes gevallen.

     

    ‘Als er ambras van komt en ge vliegt alle twee door de ruit, dan kunt ge de ruit betalen,’ waarschuwde Romanie. Ze zag het al gebeuren. ‘Denk maar niet dat ik den Bolle iets zal aanrekenen.’

    Romanie Landers stamde uit een familie van caféhouders. Haar vader Benonie was drankleverancier geweest, maar hij was gesneuveld in de oorlog toen er tijdens zijn ronde een verloren gevlogen bom op zijn camion viel. Van Benonie had men geen stukje teruggevonden en moeder Stans was achtergebleven met het café en zeven kinderen waarvan Romanie ondertussen de enige overlevende was. Romanie had amper iets anders gekend dan dit café. Ze was er geboren en getogen. Als jong meisje had ze het als stikster geprobeerd in het confectieatelier van Pirke Klaas omdat haar ouders van mening geweest waren dat een café geen goeie schelp was voor jonge opgroeiende meiskes. Met al dat mansvolk. En ze had ook nog aan de band gestaan in een conservenfabriek. Maar ze had haar draai niet kunnen vinden, ze had het café te zeer gemist. Toen haar vader ontplofte was ze er naar teruggekeerd om haar moeder te helpen. Sindsdien was ze met niets anders meer bezig geweest. Al drieënzestig jaar lang.

    Florence die in een hoek van het café aan het kaarten was, had juist gedeeld voor een nieuw spel. ‘Als die twee straks door de ruit vliegen dan wil ik dat voor geen geld missen,’ zei ze. Ze nipte van haar bolleke en speelde haar kaarten uit. ‘Miserie op tafel.’

    Van miserie kon Florence Verknutsen een aardig woordje meepraten. Haar eerste kindje was de wiegendood gestorven, het tweede was op zesjarige leeftijd bezweken aan een longaandoening. Twaalf jaar geleden viel haar man van een stelling en was morsdood. Een jaar later brandde haar huis af door een blikseminslag. De pompiers hadden niets van haar inboedel kunnen redden. Ze verhuisde, maar drie jaar later was het terug van hetzelfde. Terug door een blikseminslag, en terug alles kwijt. En terug verhuizen, naar een flatje op de eerste verdieping van een blok sociale woningen. Daar woonde ze pas een maand toen inbrekers er met haar breedbeeldtelevisie, een handvol juwelen en een hoop centen vandoor gingen. Van miserie was Florence beginnen drinken, bollekes, en dan via haar broer Isidoor in café d’Ambacht terechtgekomen waar ze ’t volk had leren kennen. En nu kwam ze iedere dag whisten, al vele jaren. Winter en zomer. In de winter bij de Leuvense kachel en in de zomer in ‘t hoekje bij ’t raam.

    Wie ook nooit een spelletje whist oversloeg was Ward, de cafébaas. Ward Goedvertier. Een braaf mens zoals hij de dagen nam gelijk die kwamen, die nooit een woord te hoog of te laag sprak en zijn Romanie op handen droeg. Drieënvijftig jaar waren ze nu al getrouwd, en daar had hij nog geen dag spijt van gehad. En al twintig jaar gepensioneerd dakenlegger. Hij was gelukkig met zijn Romanie en zijn verzameling druppelglazen, zijn kaartje leggen en zijn goeie klanten. Twee van die goeie klanten waren Jos en Benoit. Hij tilde niet zo zwaar aan hun streken. Ze mochten dan wel twee vagebonden zijn, bij zijn weten hadden ze nog nooit ie­mand materiële schade berokkend dan alleen maar gebroken trots. Toch vond hij het spijtig dat Serrofaag de Kwispeleer niet meer naar d’Ambacht kwam. Door een klein incident twee jaar geleden had Serrofaag als vogelpikkeizer zijn titel moeten afgeven aan Rudy Bontink. Minuten voorde aanvang van het tweejaarlijkse keizertornooi had Serrofaag namelijk zijn pikken niet meer kunnen vin­den. Spoorloos verdwenen waren ze geweest. Hij had ze op den toog gelegd om efkens te gaan pissen, en sindsdien had niemand ze nog gezien. Een zoektocht doorheen het café had niks opgeleverd. Natuurlijk was de verdenking op Benoit en Jos gevallen, maar die hadden natuurlijk van niets geweten. Omdat men het tornooi onmogelijk had kunnen uitstellen omwille van verloren gegane pikken had Serrofaag het noodgedwongen met de pikken van Frans Presteer moeten doen die toen ingelijst achter de toog hingen ter herdenking aan zijn plotselinge overlijden een maand tevoren. Doch de pikken hadden Serrofaag minder goed in de hand gelegen. Met povere scores als gevolg, en keizer-af.

    Serrofaag zijn pikken waren nog altijd niet teruggevonden. Het was een mysterie zoals de verdwijning van het Lam Gods. Ook al was iedereen zeker dat Jos en Benoit het geflikt hadden durfde niemand hen er openlijk de schuld van te geven. Men was veel te beducht voor een tegenzet van die twee. Serrofaag was het afgestapt en had gezegd dat ze hem niet meer in d’Ambacht zouden zien zolang die twee ‘vajoes’ er over de vloer kwamen. Hij was nu vogelpikkoning in café De Harpoen.

     

    Toen de cafédeur openging draaiden de hoofden er gelijk naartoe en ze keken verwonderd toen niet den Bolle maar pastoor Dries binnen kwam. Dat was een primeur, want zelfs de gepensioneerde pastoor Sijnaeve was er nooit in geslaagd de drempel van ’t café te overschrijden.

    Jos was juist bezig aan het stoefen over de tijd dat hij gebokst had, over de prijzen die hij had gewonnen en over ‘zijne regse’, een moker van een rechtervuist waar­mee hij indertijd Amedee Blinders uit de ring geklopt had. Niemand had Jos ooit zien boksen, maar naar Jos’ eigen zeggen was dat in zijne jongen tijd geweest tijdens zijn jaren als beroepsmilitair. Hij beweerde overal gebokst te hebben, in alle kazernes, zelfs in Afrika en Rusland. ‘In die tijd werd ik overal gevreesd voor mijne regse’, gaf Jos iedereen te kennen. En juist toen hij zich omdraaide om ’t volk voor een zoveelste keer te laten zien wat voor een hamer dat was kwam pastoor Dries binnen. Jos liet zijn vuist zakken. ‘Het is niet naar u meneer pastoor.’ Hij wist zich geen houding aan te nemen maar Benoit viel hem meteen bij. ‘Hij was aan het vertellen over zijn boksperiode in zijne jonge tijd.’

    Café d’Ambacht verviel in een stilte. Dat uitgerekend een pastoor binnen kwam in plaats van den Bolle kon geen toeval zijn. Het leek alsof de Heer zijn kersverse dienaar had gezonden om dat geval met die rode auto op te klaren. Want Onze Lieve Heer wist en zag alles, de zonden van Jos en Benoit overkwam hen allen. Deze keer zouden ze allemaal boete moeten doen.

    Maurice en Jeanine zaten braafjes als in de kerk op hun stoel, Florence durfde de pastoor nauwelijks aan te kijken en ook Bernard Van Kasten staarde naar zijn speelkaarten als werden daar Bijbelverzen en Gods voorspellingen op zichtbaar. Isidoor Verknutsen, de broer van Florence, die aan het vogel­pikken was had bij de intrede van Dries en puur van zenuwen het pijltje naast de schijf en in een prentkaart gemikt en daarmee de rechterborst van een naakte en wulpse Alpenroos doorboord - Groeten uit Tirol.

    Ugette Godefrood haastte zich zonder een woord te zeggen naar het toilet. In spannende momenten reageerde haar blaas altijd het eerst. Het brave meiske uit de Zepstraat was al direct wees geworden; haar moeder was in het kraambed gestorven en haar vader had zich maanden later dood gezopen. Niemand had zich over Ugetje willen ontfermen. Dus was ze als halfjarige in het weeshuis bij de nonnekes terechtgekomen waar ze opgroeide tot een diep gelovig en schuchter kind dat voortdurend het Oordeel Gods vreesde en bij wie later een geestelijke achterstand werd vastgesteld.

    Ondertussen was Ugette tweeënveertig, nog steeds vrijgezel en nog steeds wereldvreemd. Maar een werker. Iedere dag kwam ze Romanie helpen in ‘t café, de kuis doen en pinten spoelen of bestellen wanneer Romanie zin had om mee een kaartje te leggen. Kortom, ze was kind aan huis, een dochter van ’t café. En nu, in dit allesverheven moment waarin de Heer zijn dienaar stuurde om het zondigen op de rooster te leggen, kreeg ze blaasstoornissen. Zelfs Romanie, die anders een praatvaardig mondje had begon zenuwachtig te stotteren. Ze verwelkomde de geestelijke met meneer de pater – paster - madam pasteur, liet een glas vallen en serveerde hem een spuitwater in plaats van het door hem bestelde donkere abdijbierke. ‘Van het huis, meester pastoor.’

    ‘Allez dan, op uw aller gezondheid.’ Dries proostte maar niemand kon meer dan wat gemurmel uitbrengen. Alleen Jos en Benoit wensten met een zwierig gebaar meneer pastoor – van ‘t zelfde.

    ‘Dus je hebt als jongeling gebokst?’ begon Dries na een flinke slok te hebben genomen.

    ‘Zijt maar zeker meneer pastoor,’ zei Jos, en bij wijze van kennisgeving dat het in de goede ouwe boksperiode geen zever was geweest toonde hij een tweede keer zijne regse. ‘Met den dezen heb ik al seri­eus wat motten uitgedeeld.’

    ‘Dan is mijn aanwezigheid in d’Ambacht inderdaad van groot belang,’ zei Dries. ‘En niet toevallig. Niet voor niets staat vermeld dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn.’

    Het werd weer stil in d’Ambacht. Wat de pastoor daar kwam te zeggen klonk bitter ernstig. Met Gods ondoorgrondelijke wegen moest niet gelachen worden. Het was precies op die wegen waar de flitspalen stonden en overtredingen zich opstapelden. Er hing d’Ambacht duidelijk een gigantische boete boven het hoofd.

    ‘Het is namelijk zo..,’ ging pastoor Dries verder - hij nam nog een slok en de meeste hielden de adem in - ‘...dat ik al een tijdje loop na te denken over wat een originele manier zou kunnen zijn om geld ingezameld te krijgen voor het welzijn van Senegalese kindjes uit het dorpje Botongkwa. Wel, het is opgelost. Wat zou je denken van een boksmatch?’

    Iedereen keek elkaar verbaasd aan. Hadden ze dat wel goed gehoord? Een boksmatch voor het goede doel? Alleen Benoit durfde vertwijfeld te fronsen. ‘Wie moet er dan boksen, meneer pastoor?’

    ‘Wel, Jos en ik.’

    Jos verslikte zich toen hij juist van zijn pint bier dronk. Het duurde enkele tellen voordat ook de rest van ‘t volk over de verstomming heen was. Ugette die ondertussen al terug was van het toilet en zich voor het Oog Gods gedienstig maakte met pinten spoelen, keek stom. ‘Ik wist niet dat pastoors mochten vechten van Onzelieveneer.’

    ‘Het is voor een goed doel,’ reageerde Benoit met een uitgestreken toon. ‘Onzelieveneer doet zijn ogen wel even dicht.’

    ‘Ja, maar het is niet HIJ die ze moet laten dicht kloppen!’ onderstreepte Palmiere, hoewel haar geloof andere plichtplegingen kende dan zich Gods welzijn en diens ondoorgrondelijkheden aan te trekken. Aan het zesde en tiende gebod had Palmiere Lillewijns altijd vierkant haar broek geveegd. Met de waslijst mannen die in haar jonge jaren de revue gepasseerd waren kon ze worden opgenomen in het Guinnessbook of World Records. Degenen die nog in leven waren sleepten hun hartstochtelijke liefde nog steeds met zich mee. De meeste onder hen hadden een mislukt huwelijk achter de rug of hadden jarenlang een psychiater geconsulteerd. De vier echtgenotes die ze in haar leven gekend had waren door Palmiere tot op de draad versleten. Alle vier waren ze vroegtijdig in bed gestorven aan een hartstilstand tijdens de daad: advocaat Leysens, tandarts Kroonbeke, dokter Van Bontenakker en als laatste Armand Kok, een juwelier. Palmiere had aan haar huwelijken een aardige duit overgehouden. Ze was stinkend rijk. Maar ondanks haar prominente levenswandel was ze haar eenvoudige afkomst nooit vergeten. Geboren uit eenvoudige mensen had ze zich al die jaren nergens beter gevoeld dan onder het eenvoudige volk van ‘t café. Bovendien kende ze Romanie al van in de kleuterklas, ze waren altijd boezemvriendinnen geweest. Ondanks haar leeftijd - ze was al een flink stuk in de tachtig - lonkte ze nog graag naar het mansvolk. Zoals ook naar Dries van wie ze het eigenlijk toch maar zonde vond dat zo een jonge ranke manskerel voor het celibaat gekozen had. Bij die gedachte blikte ze een kort moment en enigszins verwijtend naar het crucifix die naast de spaarkas hing. Ugette deed hetzelfde en sloeg gauw twee kruistekens bij de gedachte aan Onzelieveneer met twee ogen zo blauw, en nog een kruisteken om vergeving te vragen voor haar gebrek aan vertrouwen in Zijn slaagkansen. ‘Maak je maar geen zorgen, meneer pastoor,’ zei ze dan. ‘We staan boven u. Is het om kleren te kopen dat ge wilt boksen?’

    ‘Nee, schoolbanken. Nu zitten de kinderen uit Botongkwa in de klas met hun achterwerk op de grond.’

    Het was een mooi gebaar vond Melanie, maar Benoit en Jos erin betrekken was naar haar mening een veel te groot risico. Daarom trachtte ze de pastoor andere wegen te laten volgen. ‘Allez meneer pastoor, een boksmatch! Onzelieveneer zal geen bezwaar hebben wanneer ge gewoon met de muts rondgaat voor die Legendarische kindjes uit Bobongsa. We zijn wij allemaal bereid om er iets in te leggen.’ Ze knikten allemaal. ‘En ge zult nog verschieten van wat ge rond haalt.’

    Melanie de Sneekeegel had in haar leven al heel wat rond gehaald. Haar werk als kamermeid in hotel Vogelting was haar daarbij goed van pas gekomen. Iedereen kende hotel Vogelting, een chic viersterren hotel in het hartje van de hoofdstad. Maar zoals Melanie het al vele malen had verteld ging het er in de kamers minder chic aan toe. Bernard Van Kasten, die twaalf jaar met Melanie getrouwd geweest was, kon er over meepraten. Hij had genoeg de verhalen van Melanie aangehoord, verhalen over zakenlui en politici die zich in Vogelting van een andere kant hadden laten zien en over feestjes en braspartijen die er plaats gevonden hadden en waar Melanie een boek over kon schrijven. Hoe duurder de suite was geweest, hoe ruiger het er aan toe gegaan was. Zo had ze gouverneur Jacques de Vlijtere op een morgen slapend aangetroffen op de vloermat naast zijn bed, liggend in zijn braaksel, met in het bed twee naakte, over elkaar heen liggende en net zo uitgetelde dellen. De suite had gestonken als een varkensstal. Na zijn vertrek was een kuisploeg twee uur bezig geweest om de zaak uit te mesten. Dat was maar één voorbeeld. Zo waren er nog tientallen. Melanie had gedurende haar vijfentwintigjarige loopbaan in Vogelting meer zwijggeld dan fooien toegestopt gekregen. Daar had ze niet eens met de muts voor moeten rondgaan. Ondanks het karige loon dat ze als kamermeid had verdiend had ze zich een mooi spaarpotje weten aan te leggen. Ze kon zich financieel goed beredderen. Met Bernard was ze nog steeds goed bevriend. Ze trokken nog regelmatig samen ergens naartoe en kwamen beter overeen dan toen ze getrouwd waren.

     

    Haar voorstel om met de muts rond te gaan was meteen de aanzet voor andere en misschien betere ideeën. Florence stelde een kaartavond voor, en Isidoor een vogelpiktornooi. Over het mosselsouper van Bernard ontstond onenigheid, de mosselen hadden de plaag door plaatselijk vervuild Noordzeewater en de Zeeuwse waren te duur. Een quiz trok geen volk, voor een barbecue was het buiten al veel te koud en voor een dansavond was er geen plaats. In een tombola met een reis naar Lourdes als hoofdprijs was niemand geïnteresseerd, een rommelmarkt zou weinig opleveren en auto’s wassen was meer iets voor een jeugdbeweging.

    Bij het horen van al die voorstellen kreeg Benoit het op zijn heupen. Hij trok als een legercommandant die in de houding gaat staan om zijn troepen toe te brullen zijn schouders naar achter en onderbrak op strenge toon: ‘Twijfelt gijle misschien aan Zijn goede vrucht?’ Weer doodse stilte. Tevreden als had hij met de stem van Mozes ’t volk van alle twijfels bekeerd legde hij een arm rond de schouders van Dries alsof hij zijn beste maatje was en keek naar de verweesde gezichten. ‘Als goedgelovige mensen zoudt ge moeten weten dat pastoors de wegen Gods volgen. Als Hij onze pastoor heeft opgedragen om te boksen voor het goede doel, dan mogen we dat niet weigeren.‘

    Ugette was echter niet overtuigd. Ze keek gebiologeerd naar het crucifix alsof ze rechtstreeks in verbinding stond met een correspondent uit het rijk des Hemelen. ‘Onzelieveneer gaat dat nooit goedkeuren,’ sprak ze luidop bij zichzelf als vertaalde ze een boodschap die haar werd gezonden.

    Benoit schudde zijn hoofd van ongeloof. ‘Maar mens toch. Het is in het belang van Zijn werk, begrijpt ge dat dan niet? De Sengaalaktische kindjes in Bongolola moeten er wel bij varen.’

    ‘Ugette heeft gelijk,’ zei Maurice. ‘Vechten tegen iemand van de kerk is gelijk Onze Lieve Heer op zijn bakkes kloppen.’ Dat flapte hij eruit voor hij het wist. Ze keken terug allemaal geschokt want zulke praat waren ze van Maurice niet gewend.

    Maurice Van Malgen en zijn vrouw Jeanine Trot stonden erom bekend trouwe en fanatieke aanhangers van de kerk te zijn. Ze deden aan goede werken, zongen in het koor, waren lid van Bond Zonder Naam en Broederlijk Delen, zaten in het bestuur van Ziekenzorg, hadden pastoor Sijnaeve op zijn missietochten overal te velde vergezeld, deelden hosties uit, deden wat ze konden en waren overtuigd van hun volgzaamheid. Maurice had onlangs het afgebladerde gezicht van de heilige Benofacius gerestaureerd en bijgeschilderd in een stijl die het midden hield tussen pointillisme en pop art. Sindsdien keek Benofacius vanop zijn sokkel de kerk in met de grimas van een krankzinnige. Geregeld gingen ze beiden optreden in rusthuis Ochtendgrijs waar ze de er verblijvende senioren entertainden met accordeon en tuba. Het probleem was dat ze vals speelden en de maat niet konden houden. Wanneer Jeanine het accordeon bespeelde dan rukte ze aan die trekzak als betrof het een nieuw soortig fitnessapparaat terwijl Maurice op zijn tuba naar goeddunken tonen blies die nog het meeste weg hadden van knallende, spetterende en brommende scheten. Pelagie Van Manshoven, een verblijfster in Ochtendgrijs, die ter gelegenheid van haar honderdste verjaardag een gastoptreden zou gekregen hebben, had zich verlost van zoveel kwelling en was de avond tevoren vredig ingeslapen.

    Dat café d’Ambacht voor hun instrumenten verboden terrein was lieten Maurice en Jeanine niet aan hun hart komen. Ze aanvaardden hun lot en zichzelf als zendelingen die trouw bleven aan hun goddelijke taak. Niemand van ’t volk dat kon verhinderen dat ze bij gelegenheid vocaal hun kerkelijke luister ten beste gaven met psalmen en het Ave Maria en te Lourd’ op de bergen, in duet met bas- en sopraanstem die zonder begeleiding van het kerkkoor voortdurend ontspoorden. Heiligschennis, mompelde Ugette dan in het oor van Romanie. En zij kon het weten.

    Ugette was dan ook totaal uit haar lood geslagen bij het horen van de woorden van Maurice. Onbegrijpend keek ze hem aan alsof haar een ingewikkeld vraagstuk was voorgelegd waar schijnbaar ook de rest van ’t volk niet meteen een antwoord op wist. ‘Onzelieveneer op zijn bakkes kloppen?’

    Maurice kreeg een kleur, werd roder dan wanneer hij zijn adem in het mondstuk van zijn tuba perste om er een alles verbroddelende scheet uit te krijgen.

    Jeanine zat als bevroren op haar stoel als zat ze niet in d’Ambacht maar eenzaam en nietig voor een beoordelingscommissie in Gods Hooggerechtshof. Vader, vergeef hem want hij weet niet wat hij zegt.

    Dries toonde echter een warme glimlach. ‘Ach,’ zei hij. ‘De Heer kent zijn dienaren en heeft alle vertrouwen. Ik heb trouwens in mijn jeugd ook nog een tijdje gebokst, zelfs tegen een pater die in de klasse middengewichten voor de wereldtitel bij de amateurs gevochten heeft.’

    ‘Ik heb ook alle vertrouwen in u en in de Heer, meneer pastoor,’ zei Maurice beduusd. ‘Maar ge zult wel begrijpen wat ik bedoel.’

    ‘Ja, de pastoor begrijpt wat ge bedoelt,’ zei Benoit. ‘Ook Onzelieveneer begrijpt dat. Wat gij niet begrijpt is dat beide heren niet voortdurend in de rede gevallen willen worden door uw gekwezel.’ Hij gaf Dries nog een hartelijke schouderklop. ‘Ge zijt ne moedige vent, meneer pastoor. Als ge wilt vechten voor de goede zaak, dan zullen we dat maar doen.’

     

    ‘De pastoor gaat in zijn broek schijten,’ zei Jos nadat Dries weer naar huis was.

    Benoit gaf een grijns van voldoening. ‘Wees maar zeker dat hij in zijn broek gaat schijten. Vanaf nu ben ik de promotor en persoonlijke trainer van Jos.’

    ‘Hoe kunde gijle nu zo zijn?’ zei Romanie. ‘Onze pastoor doet zijn best voor kindjes in Sengatla, en gijle doet precies alsof er een gouden schaap mee te winnen is.’

    ‘Geen gouden schaap, Romanie,’ zei Benoit. ‘Een gouden kalf. En trouwens, we beoefenen het negende gebod, ik en Jos: WEES STEEDS KUIS IN UW GEMOED. Voilà. Dat heeft HIJ in hoogst eigen persoon geschreven. We laten jullie alleen maar weten wat de pastoor te wachten staat. Daarin zijn we kuis in ons gemoed. Het staat hem vrij om terug te krabbelen en dan maar voor een mosselsouper of iets anders te kiezen. We zullen dat best kunnen begrijpen.’

     

    Nergens was een zaal beschikbaar. Overal zaten de agenda’s propvol met wipschietingen, soupers, fuiven, tentoonstellingen, missverkiezingen, huwelijks- en jubileum- en sinterklaasfeesten, optredens, theaterstukken en lezingen. Het sportcomplex afhuren werd op grond van ontbrekende infrastructuur niet toegestaan, en een tent was onbetaalbaar.

    Zodus werden de hoofden bij elkaar gestoken en werd pastoor Dries opgebeld die met de oplossing kwam. De kerk.

    ‘Ge zijt aan het zwanzen, he meneer pastoor?’ zei Florence door de telefoon.

    ‘Nee,’ zei Dries op berustende toon alsof het de normaalste zaak van de wereld was. ‘De kerk is groot genoeg.’

    Florence briefde de boodschap over en ‘t volk was het grotendeels met het voorstel eens. In de Sint Bataviruskerk kon wel tweeduizend man binnen.

     

    Veel tijd om er verder over te discuteren kregen ze niet meer. Den Bolle nam zijn intrede in ’t café, groot en vervaarlijk als een strijdlustige reus. Iedereen vreesde het ergste. Ugette snelde naar het toilet en Romanie liet een glas vallen. Jos was afwezig, hij was zijn fysiek aan het trainen met vijf ritjes rond het dorp te rijden met de fiets. Benoit was er wel. Maar waar iedereen voor vreesde gebeurde niet. Den Bolle vloog hem niet naar de nek en repte eigenaardig genoeg met geen woord over zijn auto die in het rood geschilderd was. Niemand durfde hem iets in de mond te leggen wat zou verraden dat ze er iets van afwisten of er iets mee te maken hadden.

    ‘Is het waar van die boksmatch?’ vroeg den Bolle terwijl hij zijn biertje kreeg voorgezet. ‘Ik heb dat horen zeggen.’

    ‘Ge moogt gerust zijn dat het waar is,’ antwoordde Florence.

    ‘En dan nog tegen onze pastoor.’

    Ugette die terugkwam van het toilet boog zich in het passeren naar den Bolle toe als wilde ze hem een geheim verklappen. ‘Meneer pastoor heeft als wereldkampioen gevochten tegen de amateurs bij de paters middengewichten.’

    ‘Nondedjuu,’ zei den Bolle.

    ‘En nu gaat hij boksen voor een hoop grond omdat de Sengaalse kindjes met hun gat op geen schoolbanken kunnen zitten.’

    ‘Nondedjuu.’

    Op datzelfde moment stapte een driekoppige cameraploeg het café binnen. ‘Allemaal een goede avond. We zijn van TV302.’

    ‘Ah, hier zijn de mannen,’ zei Benoit, hoewel het allemaal dames waren. Hij keerde zich naar ’t volk. ‘Ik heb die mannen uitgenodigd voor een interview. Dat gaat volk trekken.’

    ‘Bent u de uitdager?’ vroeg de journaliste.

    ‘Nee, de trainer-manager. De Jos, dat is de uitdager. Maar ge zult nog efkens op hem moeten wachten. Hij is aan het trainen met de velo. Hij zal alle momenten toekomen. Romanie, geef die mannen ondertussen iets.’

    ‘We gaan in afwachting al wat opnamen maken,‘ zei de journaliste. ‘Doe maar rustig verder met waar jullie mee bezig waren. Het moet naturel overkomen.’

    Palmiere zette zich fiks in haar stoel, voelde of haar kersverse permanent geen uitschieters had en maakte dat haar gouden halsketting met passende oorbellen en haar diamanten broche goed zichtbaar waren.

    Het licht van de camera floepte aan. TV302 begon met een spotting door het café. Bernard dronk van zijn vers getapte pint bier en lachte nerveus in de lens met een schuimrand op zijn bovenlip. Melanie stootte onder het zoeken naar de juiste houding het bolleke van Florence omver zodat Ward een flinke geut bier over zijn benen gegutst kreeg. Maurice en Jeanine zongen met volle overgave, als deelnemers aan een talentenjacht, tweestemmig het Onze Vader. Romanie liet een glas vallen toen ze in beeld kwam, Ugette sloeg een kruisteken alsof ze door Gods Oog geviseerd werd en repte zich vervolgens naar het toilet. Isidoor die aan het vogelpikken was voelde zich niet meer zo zeker met die camera in de buurt. Zijn hand begon te beven en zodoende filmde TV302 hoe hij een pijltje in de linkerborst van de wulpse Al­penroos mikte.

    Toen Jos kwam binnen gestruikeld zwierde de camera meteen in zijn richting. Jos was gekleed in een training met de kleuren van Real Madrid, had een handdoek rond zijn nek en grote zweetvlekken onder zijn oksels. Zijn hoofd zag bloedrood en stond gezwollen, en zijn ademhaling piepte als stak er een rietfluitje in zijn keel. Hij stond meteen voor de lens en kreeg de microfoon bijna tegen zijn mond gedrukt.

    ‘De uitdager, neem ik aan,’ zei de journaliste.

    Jos kon geen woord uitbrengen en fronste de wenkbrauwen als had de jongedame hem in het Bakoerdistaans aangesproken. Hij duwde de microfoon opzij en strompelde naar de toog.

    ‘Die mannen komen interviewen,’ fluisterde Benoit hem toe. ‘TV302.’

    Het kon Jos weinig schelen. Hij greep de eerste de beste pint bier die nog vol op de toog stond en dronk die zon­der zwelgen leeg.

    ‘Hebt ge zijn vuist al gezien?’ zei Benoit. Hij hield de rechterhand van Jos tot net voor de lens. ‘Deze vuist gaat straks onze eerwaarde pastoor aan zijn geld helpen. Dit is de vuist van een kampioen, een ongeslagen kampioen. Omwille van die vuist noemde men hem IJZEREN JOS. Reken maar dat de toeschouwers waar voor hun geld gaan krijgen.’

    ‘Zo te horen lijkt het menens,’ zei de journaliste. ‘Moeten we ons aan een heus gevecht verwachten?’

    Jos was nog steeds niet op adem gekomen en begon aan zijn tweede pint.

    ‘Ach, het is maar een schijngevecht,’ zei Benoit zwierig. ‘We gaan elkaar niet naar den duvel kloppen nietwaar. Het is voor het goede doel, schoolbanken kopen voor Sengaalse kinderen die met hun gat in Bobodokwanga zitten. Wij, als parochianen voelen ons in onze verantwoordlijkheden geroepen om onze pastoor in zijn vredelievende taak bij te staan en deze te on­dersteunen. We hopen hierbij dat onze kijkers in de huiskamer zich tot een bijdrage aangespoord zullen voe­len en massaal aanwezig zullen zijn op de avond van de kamp.’ Hij gaf zijn vermoeide kameraad een schouderklop. ‘Nietwaar Jos?’

    ‘Leve onze pastoor.’

    ‘Goed,’ zei de journaliste. ‘Dit moet volstaan als beeldmateriaal. We gaan het inblikken en brengen het overmorgen op de buis.’

    Het licht van de camera floepte weer uit. En daar ging TV302.

    Ze waren nog niet goed de deur uit of Benoit nam Jos stevig onder handen. ‘Uw conditie laat duidelijk te wensen over. Zoals gij hier staat bezorgt ge ons slechte publiciteit. Vanaf nu staat ge op een streng dieet.’

    Jos keek vermoeid naar hem opzij. ‘Dieet?’

    ‘Natuurlijk. Vergeet niet dat ge de blikvanger van de match zijt.’

    ‘Wat voor dieet?’

    Benoit telde op zijn vingers. ‘Veel eiwitten, koolhydraten, aminozuren en vitaminen.’ Hij trok een derde pint uit Jos zijn handen. ‘Geen vet en alcoholische dranken. Ge moet in vorm geraken.’

     

    Er kwam een kink in de kabel. Geschokt door het nieuws over een boksmatch die in de kerk zou doorgaan had het kerkbestuur een brief met een hoogdringende mededeling naar bisschop Godefroid Van Durvenpots gestuurd. Met als gevolg dat Dries door de bisschop ter verantwoording was geroepen.

    ‘En nu dreigt die bisschop ermee Dries uit zijn ambt te zetten op grond van schandaligheden,’ snoof Benoit die het nieuws uit goede bron vernomen had.

    ‘Dat hij groot gelijk heeft,’ reageerde Maurice. ‘Een kerk is geen sportzaal en een pastoor moet het goede voorbeeld geven.’

    Daar was Jeanine het mee eens.

    Benoit kneep wantrouwig zijn ogen tot spleetjes. ‘Zitten jullie er voor iets tussen misschien?’

    ‘Het was te verwachten,’ zei Romanie.

    ‘Een waarlijke schande is het!’ reageerde Benoit met een klap op de toog. ‘Die Sengaalse kindjes in Bolgomdomba hebben niets in de pap te brokken zeker?’

    ‘Dan moet het maar ergens anders,’ zei Palmiere.

    ‘Niks van!’ riep Benoit met een volgende klap. ‘Ergens anders krijgen we nooit zoveel volk onder één dak.’

    ‘We moeten de pastoor gaan bevrijden,’ zei Ugette. ‘Gevangenen bevrijden is een werk van barmhartigheid.’

    ‘Ach, Ugette toch,’ zei Florence. ‘De pastoor moet helemaal niet bevrijd worden. Maar hem aan zijn lot overlaten kunnen we ook niet.’

    ‘We moeten de kerk bezetten.’

    ‘Nu niet gaan overdreven he Isidoor,’ zei Ward. ‘Het is nog altijd een kerk. Als er nergens kan gebokst worden voor het goede doel, dan organiseren we iets anders.’

    Benoit blies zich op. ‘Niks van! We zijn niet voor niets al drie dagen aan het trainen. En bovendien heeft TV302 een schoon reportage gemaakt. We kunnen nu niet meer terugkrabbelen want dan gaat de Jos maar een slecht figuur slaan. Is het niet Jos?’

    ‘Om van die Ganselese kinderen uit Borotwara nog maar te zwijgen.’

    ‘Voilà.’ Benoit klom op een stoel en nam een theatrale pose aan als ging hij aan een stuk van Hamlet beginnen. ‘Aanhoort mijn proclamatie aangaande de smeekbede van Gods kinderen die in het oog des aanschijns de vruchten zien verwelken op de gronden hunner moederland. Want ziedaar de kinderen van het Verbond der minderbedeelden die ons wijzen naar het licht in de duisternis ter verlichting onzer plichten. Ons rest geen andere taak, geen andere taak! - dan te strijden voor hun zaligheid en te boksen voor hun zeden.’

    Wanneer Benoit in het vuur van de strijd aan zijn redevoeringen begon, dan maakte hij daar ware poëzie van ofschoon het door niemand werd begrepen en het nergens op sloeg. Maar in zijn geheel klonk het altijd schoon en met veel inhoud.

    Ugette was er zowaar onder de indruk van. ‘Schoon. Oprecht schoon.’

    Den Bolle kwam binnen. ‘Blijft daar maar staan Benoit, want als ge naar beneden komt zal het uwen besten dag niet zijn. En gij, IJZEREN JOS, neem ook maar ne stoel en ga er naast staan.’

    Iedereen dacht dat het uur der vergelding was aangebroken.

    ‘Scheelt er iets Bolle?’ vroeg Romanie trillend van zenuwen.

    ‘Nee,’ zei den Bolle. ‘Ik zie die twee graag op een stoel staan.’

    ‘Het is maar dat ik in een goeie bui ben,’ zei Jos. Hij nam een stoel, zette die naast de stoel van Benoit en ging er op staan.

    ‘Wat heb ik gehoord,’ vervolgde den Bolle. ‘De boksmatch gaat niet door?’

    ‘Dat hebt ge dan verkeerd gehoord,’ zei Benoit vanuit de hoogte. ‘We voelen ons in onze plichtplegingen verrijkt en zijn zinnens de welwillende taak van de pastoor alsnog doorgang te laten vinden door onze stem te verheffen.’

    ‘Santé,’ zei Bolle.

    ‘Onze stem verheffen?’ Ugette dacht er een tel over na. ‘Wil dat zeggen dat we moeten roepen om ons kwaad te maken tegen de bisschop?’

    ‘Nee Ugette,’ zei Palmiere. ‘De bisschop zal daar absoluut niet wakker van liggen. Hoe harder ge zult roepen, hoe zaliger hij zal slapen.’

    ‘Dan is er maar ene die onze plichtplegingen op prijs zal stellen,’ zei Isidoor. ‘De paus.’

    ‘De paus?’ klonk het in koor.

    Den Bolle moest erom lachen. ‘Wat gaat ge doen Isidoor? Hem een foto van IJZEREN JOS toesturen?’

    ‘We kunnen een brief schrijven,’ zei Isidoor. ‘En we zeggen hem dat het om het welzijn van Sengalese kinderen uit Burundi gaat.’

    ‘Hij verklaart jullie allemaal zot,’ zei den Bolle. Proostend hief hij zijn glas op naar Benoit en Jos. ‘Jullie zijn in ieder geval al naar de hoogste regionen van het gekkendom verheven.’

    ‘Dan bezetten we de kerk,’ triomfeerde Benoit.

    ‘Niks van!’ sneerde Maurice. Jeanine was het ermee eens.

    ‘Als jullie niet graag meedoen dan is dat zo. Maar dan zal het lot van de Sangaanse kinderen in jullie onverschillige handen gelegd worden.’

    ‘We maken ons niet schuldig aan misdadigheden.’

    Jeanine knikte voor akkoord.

    ‘De enige misdadigheid schuilt in het bisdom Gods!’ riep Jos.

    ‘Goed gezegd,’ zei Benoit. ‘Dat bevindt zich net zo goed op Zijn ondoorgrondelijke weg. Van Durvenpots is de eerste die met stenen gesmeten heeft. Welnu, dan smijten we die terug. Wie stemt voor bezetten?’

    Er kwam eerst geen reactie. Ze keken allemaal om zich heen maar niemand durfde als eerste de hand op te steken.

    ‘Wees kuis in uw gemoed!,’ scandeerde Jos terwijl hij strijdlustig zijn vuist in de lucht stak.

    Ugette sloeg zich een kruisteken en stak dan haar hand op. Florence was de tweede, gevolgd door Romanie, dan Isidoor.

    ‘Doet gij niet mee Bolle?’ vroeg Romanie.

    ‘Waarom niet,’ zei den Bolle. ‘Ik kan een paar dagen verlof gebruiken, en zot zijn doet geen zeer.’

    Ten slotte waren ze allemaal akkoord om de kerk te bezetten, zelfs Maurice en Jeanine, tegen beter weten in.

     

     

     

    De bezetting

     

     

     

    Bernard Van Kasten had griep en kon niet mee. Alle anderen waren present om na de avondmis tot actie over te gaan. Nu ze voor hun missie stonden kreeg Romanie er de tranen in de ogen van. In de drieënzestig jaar dat ze café hield had ze nooit een sluitingsdag gekend.

    ‘Ach, mens Romanie,’ zei Florence. ‘Het zal misschien zo lang niet duren. We zijn terug voor ge het weet, en we zijn er eens mee weg.’

    ‘Zo lang niet duren?’ Benoit had daar wel een andere mening over. ‘Zijt maar zeker dat het lang gaat duren. Dat is altijd zo met onderhandelingen. We zijn de eerste week niet thuis.’

     

    De kerk was al afgesloten toen ’t volk er arriveerde maar er scheen nog licht en dus moesten ze wachten tot Dries, zoals men verwachtte in het gezelschap van koster Vervoot, langs de gepantserde zijingang naar buiten kwam. Wat ten slotte ook gebeurde. Dries keek onbegrijpend om zich heen toen hij in het licht van een volle maan ‘t volk zag, gepakt en gezakt als aankomende toeristen bij een hotel. De koster, in de veronderstelling dat ze door een bende overvallen werden, verstijfde op slag.

    ‘Vrees niet, pastoor,’ zei Benoit. ‘We komen de kerk bezetten.’

    Jos, die al een ganse avond aan het lampetten was en van zatheid stond te wankelen op zijn benen, dronk van zijn flesje bier en boerde. ‘Ja, we voeren protest tegen de Sansalaanse kinderen en al de rest uit Botswana, en dat willen we doen met een bezetting.’

    ‘We zijn unaniem in dit protest,’ viel Romanie hem bij.

    ‘Unaniem,’ klonk het.

    Ward deed een stapje naar voor. ‘Ge moogt het ons niet kwalijk nemen meneer pastoor, we zijn maar gewoon volk. Maar we vinden dat we u moeten verdedigen, en daarom volgen we u.’

    Koster Vervoot snoof, ontsteld als hij was door zoveel gebrek aan respect. ‘En dat voor grote mensen.’

    ‘We zijn geen grote mensen, we zijn vredelievende protestanten,’ zei Ugette. ‘Vrees niets.’

    ‘Nou goed,’ zei Dries. ‘We geven ons over en schikken ons in ons lot.’

    De koster wist niet wat hij hoorde. ‘Met uw permissie meneer pastoor, maar sta jij het Huis des Heren zomaar zonder slag of stoot aan deze vandalen af?’

    Dries maakte een machteloos gebaar. ‘Wat vermogen wij tegen een dergelijke overmacht, Odilon? Je zult het met me eens zijn dat deze opstand slechts met diplomatie kan opgelost worden.’ Hij wenkte ‘t volk. ‘Kom maar binnen.’

    Koster Vervoot liet het er echter niet bij en wilde om hulp beginnen roepen, maar den Bolle had zoiets voelen aankomen en legde meteen een koolschop voor diens mond. ‘Stil zijn koster. Als ge uw decibels open wilt zetten doe het dan IN de kerk, zoals ge gewoon zijt.’ Odilon, enigszins geschrokken door de aanwezigheid van den Bolle en door een hand die tussen duim en wijsvinger een noot kon kraken tot zwijgen gestemd, durfde geen weerstand te bieden. Den Bolle tilde hem op en volgde samen met ’t volk pastoor Dries naar binnen.

    ‘Bij dezen is de Bataviruskerk officieel bezet,’ zei Benoit toen achter hem de deur gesloten werd.

    ‘Ik wil jullie erop attent maken dat dit een gijzelneming is. Daar staan zware straffen op,’ snauwde de koster nadat den Bolle hem op een stoel had neergezet. Hij keerde zijn blik naar Maurice en Jeanine. ‘Schaamde gijlen u niet?’

    Maurice en Jeanine lieten hun hoofden hangen maar Palmiere nam meteen het woord. ‘Er is nog niemand van schaamte gestorven koster. Als gij u zo druk blijft maken zult ge het nog aan uw hart krijgen. We bezetten alleen maar de kerk.’

    ‘Als ge maar van mijn orgel afblijft.’

    ‘Uw orgel interesseert ons niet,’ zei Benoit. ‘En ik zou willen dat ge u vanaf nu niet meer met onze affaires bemoeit. Ge zijt maar ne pion. Misschien laten we u straks wel lopen, dan kunt ge iedereen van onze actie gaan vertellen. Is het niet Jos?’ Hij keek om zich heen. ‘Jos?’

    Jos was onder het altaar gekropen en lag daar met veel gesnurk zijn roes uit te slapen.

     

    De bagage werd uitgeladen. Onder het toeziende oog van Dries en een knarsetandende Odilon werden in het koor koffers uitgeladen, luchtmatrassen opgepompt, veldbedden opengevouwen, slaapzakken uitgerold. Uit Benoit zijn camionette werden de kratten bier en andere levensnoodzakelijke voorraden aangevoerd. Er werden twee tafeltjes uit de sacristie aangebracht en kerkstoelen eromheen gezet. Toen alles geïnstalleerd was nam Florence aan een tafeltje plaats en haalde een boek speelkaarten boven. Isidoor zocht naar een plek om zijn vogelpikschijf op te hangen en vond die aan de onderkant van het levensgrote crucifix. Een wat langere tafel diende als toog waarop Romanie al meteen enkele flesjes bier ontkurkte voor de mannen die dorst hadden. Ugette zorgde voor de service. ‘Zo dikwijls zien we u niet op café he koster? Wat mag dat voor u zijn?’

    ‘Ge zijt allemaal zondaars,’ siste Odilon. Hij keerde zich naar Dries. ‘Hoe je zoiets kunt toelaten meneer pastoor, dat begrijp ik niet.’

    Dries nam de koster even terzijde en deed alsof hij hem in een snood plan wilde betrekken. Hij fluisterde: ‘Ik wil niets forceren Odilon, begrijp je? Ze mogen dan wel goede bedoelingen hebben, met gijzelnemers weet je maar nooit. Als we moeilijk gaan doen worden we misschien gekneveld, of in de kelder opgesloten. En dan zijn we machteloos aan het lot overgeleverd.’

    De koster, niet beseffende dat Dries hem in de maling nam, grijnsde sluw en boog zich dan wat naar hem toe. ‘Ik begrijp het. Heb je een plan?’

    Met de geheimzinnigheid van een spion die op zijn hoede was voor afluisterpraktijken keek Dries om zich heen en vervolgde listig: ‘We moeten de zaken rustig aanpakken, verbroederen. Je weet wel, vertrouwen winnen.‘

    Odilon knikte ernstig. ‘Op mij kun je rekenen, meneer pastoor.’

    Dries gaf hem in goede verstandhouding een klopje op zijn schouder en keerde zich dan naar ’t volk. ‘Heeft iemand zin in een glas wijn?’

     

    ‘Ik vind dat we de zaken verkeerd aanpakken,’ zei Melanie. ‘Niemand heeft weet van de bezetting.’

    ‘Dat zal gauw genoeg veranderen,’ zei Benoit. ‘Ik heb het genoegen beleefd TV302 uit te nodigen voor een interview daar ik van mening ben dat onze actievoering slechts succes kan veroorzaken wanneer onze verlichting de huiskamers betreedt. En daarom...’

    ‘Hebt ge ook het genoegen beleefd om een plan B te bedenken?’ vroeg Ward.

    ‘Een plan B?’

    ‘Voor wanneer we onze goesting niet krijgen.’

    Benoit stak trots zijn kin naar voor. ‘Als we onze goesting niet krijgen, dan gaan we in hongerstaking.’

    ‘En als ze de kerk bestormen?’

    ‘Ze geraken hier niet binnen. Daar heeft het kerkbestuur voor gezorgd, met al die grendels.’

    Maar toch bleef Ugette er niet gerust in. ‘Meneer pastoor, gij hebt aan het celibaat gestudeerd. Wat denkt gij als universeel celibatair dat er gaat gebeuren als we onze goesting niet krijgen?’

    Dries had al serieus wat wijn naar binnen gekieperd. De discussie ontging hem grotendeels omdat hij zich te zeer op de hem toebedeelde speelkaarten concentreerde en het aantal binnen te halen slagen schatte. ‘Miserie!’ riep hij.

    ‘Miserie meneer pastoor?’

    Dries knikte, ‘Dikke miserie,’ en dronk zijn zesde glas wijn leeg.

    Ugette sloeg een kruisteken. ‘We zijn allemaal zondaars.’ Ze greep naar haar onderbuik en haastte zich naar het toilet.

    ‘Daar is nog gene mens van gestorven,’ riep Palmiere haar na.

    Bij het horen van het woord ‘zondaars’ kregen Maurice en Jeanine wroeging. Het kon niet anders of de Heer was zwaar in hen teleurgesteld nu ze meedeelden in de zonden van ’t volk. Daarom besloot Jeanine, in een poging om haar ziel van verdere bezoedeling te redden, het goede voorbeeld te geven. Ze stond op, vouwde plechtig haar handen en begon het Ave Maria te zingen, algauw bijgetreden door de basstem van Maurice.

    Maar lang duurde hun liedje niet, want plotseling werden ze onderbroken door een krachtige stem die door de kerk galmde. ‘Mag ik jullie aller aandacht.’ Benoit was naar de preekstoel geklommen en richtte zich met een megafoon tot ’t volk. ‘Ik heb de indruk, dat er wordt getwijfeld aan het welslagen onzer actievoering...’

    ‘Wilt ge ne keer maken dat ge beneden zijt?’ riep de koster. Hij schoot recht uit zijn stoel.

    ‘Stilte!’ riep Benoit terug.

    ‘Het is daar uw plaats niet!’ schreeuwde de koster terwijl hij zich tussen de stoelen door en met grote stappen een weg naar de preekstoel baande, ‘...godver godver godver...’ Hij bleef beneden de preekstoel staan en keek naar boven, naar Benoit die over de rand kwam leunen en op de koster neerkeek en de megafoon naar hem richtte. ‘Deze plaats is voor hen die gehoord willen worden, dus ook mijn plaats,’ kraste de stem van Benoit door de luidspreker. ‘Vandaar deze actievoering: om gehoord te worden! En nu voor de laatste keer, bemoei u met uw eigen zaken. Of we binden u op een stoel vast en zetten u tedjuu in de torenkamer tussen de klokken en de duiven.’

    De koster dacht aan de woorden van de pastoor om niet te moeilijk te gaan doen maar had niettemin de grootste moeite om zich te beheersen. ‘Weet dat ge u bezondigt aan grootschalige heiligschennis. En grootschalig zal ook Zijn vonnis zijn op de Dag des Oordeels.’

    ‘Onze betrachting luidt als volgt,’ ging Benoit weer verder zonder zich nog iets van de koster aan te trekken. ‘Ten eerste...’

    ‘Zoudt ge niet beter uwe preek sparen voor degenen die het moeten horen,’ zei Palmiere.

    ‘Mijn idee,’ pikte Romanie erop in. ‘Er gaat hier binnenkort genoeg volk voor de deur staan dat wil weten wat onze betrachtingen zijn.’

    ‘En ten tweede,’ voegde Isidoor er aan toe. ‘Als onze betrachtingen net zoveel waard zijn als de conditie van onze bokskampioen daar, dan gaan we er niet ver mee geraken.’

    ‘Vrienden, vrienden,’ zei Benoit sussend. ‘Laten we niet op de zaken vooruit lopen. We moeten goed voorbereid zijn. Daarom acht ik een generale receptie noodzakelijk verbonden aan onze actievoering teneinde...’

    ‘En ten derde,’ zei Melanie. ‘Waarom moet gij onze woordvoerder zijn? We zijn als actievoerders allemaal evenveel waard. Ons woord is veelvuldig gelijk voor de wet.’

    Er volgde een klein applaus.

    ‘Zoudt ge ne keer willen luisteren!’ riep Benoit geërgerd omdat hij voortdurend onderbroken werd. ‘Ik zei dus dat ik een generale receptie noodzakelijk acht teneinde...’

    ‘Ik stel voor dat we de koster zijn vrijheid geven,’ zei den Bolle. ‘Hij heeft hier tenslotte niets mee te maken. Bovendien is het duidelijk dat hij niet van plan is om ons te volgen.’

    ‘Ik weiger als dienaar van de parochie de kerk te verlaten,’ grauwde Odilon. ‘Mijn geweten is ongeschonden en dat staat me niet toe onze pastoor uit te leveren aan een bende psychopaten.’

    Dries dronk zijn zevende glas wijn leeg en kwam overeind. Hij bloosde, en voorwaar, hij stond niet meer zo vast op zijn benen. Ze gebaarden allen tot stilte en wachtten dan in spanning naar de woorden die zouden gesproken worden door hem die de zaak des Heren behartigde. ‘Dierbaren, ik ben ontroerd door zoveel bijval, maar verlaag u niet zich om mij te bekommeren. Denk in de eerste plaats aan het doel van uw taak, en zo gij het wil behartigen doe dan verder zoals ge bezig zijt. Wees jezelf, en je zult slagen.’

    Ugette snifte van ontroering in haar zakdoek. ‘Merci meneer pastoor.’

    Ondertussen was Jos wakker geworden. Hij kwam half verwelkt en gekreukt vanonder het altaar gekropen. Benoit was weer afgedaald en kwam bij Jos staan, en hield de megafoon voor zijn gezicht. ‘Het is een jammerlijk feit te moeten constateren dat gij uw welwillende taak verwaarloost en dat gij u weer vergrijpt aan alcoholische dranken en losbandigheid.’ Jos kromp ineen bij de geluidsterkte en het schril gefluit tussendoor. ‘We zijn hier voor het behartigen van ons doel,’ ging Benoit verder. ‘Vergeet niet dat ik nog steeds uw trainer-manager ben, en zo wij willen zegevieren berust in mij de verantwoordelijkheid om de slaagkans op een overwinning te bewerkstelligen.’

    Jos zocht van ellende zijn heil aan de toog bij Romanie en bestelde een biertje terwijl Benoit in de roes van zijn proclamaties van geen ophouden wist en zijn megafoon naar ’t volk richtte. ‘Ook gij allen...’

    Maar ’t volk had geen belangstelling meer in zijn preken. Dries had weer aan het kaarttafeltje plaats genomen samen met Ward, Florence en Palmiere, en deelde de kaarten; Isidoor vervolgde zijn solo wedstrijd vogelpik, Romanie en Melanie waren drukdoende in gesprek, den Bolle wandelde rustig met de handen op de rug als een bezoeker in een museum door de gangen, overal de beelden en kandelaars en glasramen bewonderend; Ugette noemde Jos een sekstherapeut omdat hij haar in de kont kneep, Jeanine en Maurice herbegonnen hun Ave Maria.

    De koster gniffelde naar een zichtbaar teleurgestelde Benoit, en vertrouwde hem toe: ‘Het enige succes dat uw actievoering zal kennen is een enkel ritje naar de gevangenis.’

    ‘Ziet maar dat ge straks ook zo goed van praat zijt wanneer TV302 met ne camera voor uwen neus staat,’ repliceerde Benoit.

    ‘Zijt maar zeker dat ik welbespraakt uw boekje zal open doen. En ook dat van uw kompanen. Ik zal jullie met graagte een stelletje heiligschennende gangsters noemen.’

    ‘Noem ons zoals ge wilt, ge zult ons niet kunnen stoppen,’ zei Benoit, en hij vervolgde door de megafoon, ‘En als het u niet aanstaat...’

    ‘Geef hier,’ zei den Bolle terwijl hij de megafoon uit Benoit zijn hand griste. ‘Ik word zot van dat lawaai. Ge krijgt uw speelgoed op het gepaste moment terug. En gij koster, als ge wilt blijven moet ge dat weten, maar dan wil ik u niet meer horen.’

    Tegelijkertijd werd er op de gepantserde zijdeur geklopt. Den Bolle ging kijken en kwam terug met een driekoppige cameraploeg. ‘Het is TV302.’

    ‘Ah voilà.’ Benoit verwelkomde de drie jongedames die in het café komen filmen waren, met open armen. ‘Laat de rest van de wereld nu maar getuige zijn van onze actievoering.’

    Ugette klampte de journaliste aan. ‘Vrees niets, we beminnen u en willen alleen maar dat u onze diensten filmt.’

    Toen het licht van de camera aan floepte zag de koster meteen zijn kans. Hij graaide de microfoon beet en sprong voor de lens. ‘Het zijn vandalen,’ riep hij naar ’t volk wijzend. ‘We worden gegijzeld, de pastoor en ik. We zijn onschuldige slachtoffers van een misdadig opzet dat zijn weerga niet kent.’

    ‘En u bent?’ vroeg de journaliste.

    ‘Ik ben Odilon Vervoot, de koster, al meer dan veertig jaar trouwe dienaar van deze parochiale gemeenschap, orgelist, kaars dover, secretaris van bestuur, collecteur, toezichthouder en begeleider van het Sint Batavirus kerkkoor.’

    ‘Dat wilt dat meiske allemaal niet weten,’ zei Benoit die de microfoon over nam, de koster bij zijn kraag pakte en hem opzij trok. ‘Voor alle duidelijkheid, we bezetten de kerk op grond van menslievendheid. We willen namelijk kunnen boksen voor de Glansalese kinderen uit Bondaswaro, zoals ge ondertussen al weet. En zoals ge ondertussen ook al zult weten tracht het bisdom ons dat te beletten. Daarom deze actievoering.’

    ‘Bent u de initiatiefnemer?’

    Benoit wilde antwoorden maar Melanie was hem voor. ‘We zijn geen initiatiefnemers, we zijn allemaal volgers.’

    Ugette knikte ter bevestiging. ‘We volgen onze pastoor op zijn ondoorgrondelijke wegen, en staan boven hem.’

    ‘Wat denkt u van deze actie eerwaarde? Acht u zichzelf een gijzelaar?’ vroeg de journaliste.

    ‘Ik bevind mij onder het volk, wat kan een pastoor meer verlangen?’ antwoordde Dries die onder invloed van de wijn met een dikke tong praatte. ‘En allen bevinden we ons onder de hoede van de Heer. Ik heb dus vertrouwen.’

    ‘Dat is goed gesproken, meneer pastoor,’ zei Florence. ‘We zijn tenslotte geen silopaten, wat de koster ook beweert. En wanneer Onzelieveneer onze bezetting niet had goedgekeurd, dan had Hij ons ongetwijfeld al neergebliksemd. Niet u, meneer pastoor.’

    ‘Het bisdom, dat is de silopaat,’ riep Jos en meteen kreeg hij de lens van de camera naar zich toe gekeerd. Het bier leek weer overmatig in zijn ogen te staan en hij moest zich aan de toog ondersteunen om niet omver te vallen. Hij keek naar het crucifix en stak zijn rechtervuist naar Hem uit. ‘Den dezen hebt gij in uwen tijd gemankeerd beste vriend. Ge zoudt ze nogal op hun lazer gegeven hebben, al die Romeinen en kruisvaarders.’ Hij dronk zijn flesje bier leeg, en zonder er nog iets aan toe te voegen strompelde hij naar het altaar, kroop eronder en viel in slaap.

    Jeanine en Maurice zongen met stille luister - ‘De Heer is mijn herder, hij leidt me door de duisternis.’

     

    ’s Nachts kon Melanie niet slapen, niet enkel door het alom aanwezige gesnurk maar vooral omdat een ongemakkelijk gevoel haar bekroop. Ze stond stilletjes op en liep naar de plaats waar Dries lag te slapen op het veldbed dat den Bolle hem had afgestaan. Ze schudde hem zachtjes bij de schouder. ‘Meneer pastoor.’

    ‘Mmm,’ klonk het.

    ‘Meneer pastoor, ik ben het, Melanie.’

    ‘Mmm.’

    ‘Meneer pastoor, zoudt ge het erg vinden om me de biecht af te nemen?’

    ‘Mmm.’

    ‘Het is dringend.’

    ‘Ga en zondig niet meer,’ prevelde Dries in zijn slaap.

    ‘Het zijn mijn gedachten die zondigen, meneer pastoor. Ik vraag me af of ge soms nog gene spijt hebt gehad dat ge pastoor geworden zijt? Ik bedoel, zo ne jonge manskerel gelijk gij, in de fleur van zijn leven?’ Dries opende zijn ogen en draaide zijn hoofd naar Melanie om, waarop Melanie vervolgde. ‘Heeft de Heer niet gezegd: Ga en vermenigvuldig u- ?’

    Dries zuchtte. Lichtjes kreunend bij een pijnlijk gebonk in zijn hoofd draaide hij zich weer opzij. ‘Dat heeft Hij inderdaad gezegd ja.’

    ‘Onzelieveneer is toch ook verliefd geweest destijds, op Maria Magdalena?’

    ‘Hoe is dat nu toch mogelijk?’ klonk de stem van Palmiere vanuit het duister. Ze hoorden haar bewegen op haar veldbed. ‘Waar zit gij met uw gedachten Melanie?’

    ‘Ik wil alleen maar weten of Onzelieveneer ooit de daad heeft gepleegd,’ zie Melanie kortaf.

    ‘En waarom niet? Het was toch ook maar ne gewone mens.’

    ‘Wat een schande,’ riep de koster van ergens in de buurt. ‘Om de Zoon Gods ne gewone mens te noemen. Heeft Hij nog niet genoeg geleden misschien dat ge nu Zijne Hoog Geborene moet beledigen door hem te verlagen naar het mensdom?’

    ‘En waarom zou Hij Maria Magdalena niet bezwangerd kunnen hebben?’ wilde Florence weten. ‘Het was toch Zijn taak om het goede voorbeeld te geven en zich te vermenigvuldigen? “En uit de schoot van Magdalena werd het kindje van Jezus geboren”.’

    ‘Ah, vandaar - het kindje Jezus -,’ zei Ugette, en voegde er begripvol aan toe. ‘We zouden wij dat helemaal niet erg vinden meneer pastoor wanneer ge Maria Magdalena zou bezwangerd hebben. We zouden wij uw kindje Jezus net zo graag zien. Vader, moeder zullen wij eren.’

    ‘Doe nooit wat onkuisheid is,’ siste de koster tegen.

    ‘Bovenal bemin uw God,’ repliceerde Melanie.

    ‘Uw God, maar geen vermenigvuldigingen.’

    ‘En dat noemt zichzelf een trouwe dienaar.’

    ‘Ik laat de pastoor niet los!’

    ‘Wij ook niet!’

    ‘Zondaars!’

     

    De bezetting van de kerk was de volgende morgen in alle kranten voorpaginanieuws. “Senioren gijzelen pastoor en koster!” blokletterden sommige. Daarom was een interventie eenheid van de politie ter plaatse gekomen en werd de omgeving rond de kerk hermetisch afgesloten. De pers was in groten getale aanwezig, regiewagens van televisiezenders hadden aan de rand van het kerkplein post gevat, ziekenwagens stonden paraat om de eerste gewonden al dadelijk te kunnen afvoeren. Het kerkbestuur stond te overleggen in aanwezigheid van de burgemeester terwijl agenten de honderden kijklustigen op een afstand hielden.

    Een afvaardiging van ’t volk, Florence, Ugette, Melanie, Palmiere, Jos en Benoit, was langs de smalle wenteltrap naar de torenkamer geklommen. Via een krakende houten trap bereikten ze een smalle buitenloop aan de voet van de torenspits van

  • Reviews (0 uit 0 reviews)

€ 12,95

niet beschikbaar

niet beschikbaar

direct, via download
Veilig betalen Logo
Delen 

Informatie
Herroepingsrecht is uitgesloten voor eBooks. Een download van een eBook of luisterboek is niet meer te herroepen op het moment dat u, na aanschaf van het e-book, de download heeft gestart.

Fragment

Uit “Ga en vermenigvuldig u”

 

‘Twijfelt gijle misschien aan Zijn goede vrucht?’ riep Benoit. Er viel een doodse stilte. Tevreden legde hij een arm rond de schouders van Dries alsof hij zijn beste maatje was en keek naar de verweesde gezichten. ‘Ge zoudt allen moeten weten dat pastoors de wegen Gods volgen. Als Hij onze pastoor heeft opgedragen om te boksen voor het goede doel, dan mogen we dat niet weigeren.‘

...

Ugette die terugkwam van het toilet boog zich in het passeren naar den Bolle toe als wilde ze hem een geheim verklappen. ‘Meneer pastoor is wereldkampioen bij de paters middengewichten.’

‘Nondedjuu,’ zei den Bolle.

‘En hij gaat boksen voor een hoop grond omdat de Sengaalse kindjes met hun gat op geen schoolbanken kunnen zitten.’

‘Nondedjuu.’

...

Kort daarna zakte Fred door het dak van zijn magazijn om tien meter lager op de betonnen vloer tot moes te vallen.

...

‘En nu dreigt de bisschop ermee Dries uit zijn ambt te zetten op grond van schandaligheden,’ snoof Benoit. ‘Van Durvenpots is de eerste die met stenen gooit. Welnu, dan smijten we die terug.’

‘We maken ons niet schuldig aan misdaden,’ protesteerde Maurice.

...

‘Sta me toe om dit gebeuren als een zuivere aanslag tegen de kerkelijkheid en het mensdom te beschouwen,’ snauwde de koster. Woedend wees hij naar ’t volk. ‘Laat gerechtigheid geschieden en sluit die groep terroristen op. ZIJ zijn het die de Heer aan het kruis nagelen en Zijn woord bekladden met mensonterende vuiligheid.’

...

‘We zouden wij dat helemaal niet erg vinden meneer pastoor wanneer ge Maria Magdalena zou bezwangerd hebben. We zouden wij dat kindje net zo graag zien. Want vader, moeder zult gij eren.’

...

‘Hoogmoed komt voor de val, de Knotselaer. Gij sleept ons hier allen in mee.’

‘Meneer, gij zijt een Pontius. Uw plaats is bij de Romeinen.’

...

‘Met uw permissie eerwaarde, maar van rust is er nu geen sprake meer. Hoort daarbuiten het krijgsgewoel. Het gepeupel is in staat om de kerk te bestormen, en als dat gebeurt dan gaan er beslist doden vallen.’

...

Ze keken onbegrijpend en sprakeloos toe hoe ze in opperste aanbidding bij den Bolle neerknielde als bij haar Mozes en vroom haar handen vouwde. ‘Verwelkom mij in uw schoot,’ sprak ze. ‘Verhef Uw staf en splijt mijn zee.’

×
SERVICE
Contact
 
Vragen