Fragment
Na jaren van intense worsteling, omgeven door de brokstukken van
mislukte pogingen en verloren liefdes, vond ik mezelf gevangen in een
doordringend, diep verdriet. Het was alsof ik steeds verder wegzonk in
een duistere nevel van gedachten die als zware, sombere wolken mijn
geest verduisterden. Elke ochtend leek het alsof ik opstond met een
hart dat gebroken was van teleurstelling, en een verdriet dat onuitputtelijk
leek. De wereld verloor kleur, glans en betekenis. Elke stap
voelde als een oefening in doorzettingsvermogen, elke ademhaling als
een confrontatie met een vraag die mijn ziel martelde: Waarom moet
ik zo lijden?
In die periode waarin mijn ziel zich in de schaduw van twijfel en wanhoop
had genesteld, groeide er een brandende vraag in mij: Bestaat er werkelijk
een God, of ben ik eenzaam in een leeg universum? De eenzaamheid
leek eindeloos, en mijn roep om begrip galmde zonder antwoord. Op
een dag, toen ik voelde dat ik het laatste restje hoop verloren had,
richtte ik me in een wanhopige gedachtegang tot het universum: Heeft
er daarboven iemand een hekel aan mij? En als er inderdaad een God
is die luistert, waarom verlost U mij dan niet? Waarom laat U mij lijden,
terwijl mijn leven geen vreugde lijkt te dragen? Geef dit leven aan iemand
die werkelijk de kans verdient, zoals een kind dat vecht tegen een
ongeneeslijke ziekte.
In dat moment, waarin ik mijn diepste wanhoop tot uitdrukking bracht,
veranderde er iets. Alsof mijn ziel dieper in zichzelf dook, ontdekte ik
een onverwachte stilte die zich ergens diep in mijn wezen schuilhield.
Toen, op een vroege maandagochtend, tweede paasdag 1987, negen
minuten voor zes, op het moment dat ik mijn drieëndertigste levensjaar
afsloot, vond er een wonderbaarlijke helderheid plaats. Terwijl ik
langzaam ontwaakte uit mijn slaap, trok iets mijn aandacht. In de linker
bovenhoek van mijn slaapkamer verscheen een verbluffend beeld, een
visioen dat mijn ademhaling deed stokken. Daar, als uit een andere
dimensie, verscheen de beeltenis van wat ik alleen maar kan omschrijven
als een ‘engel’.
Maar dit was geen engel zoals je die kent van schilderijen of heilige
beelden. Geen vleugels, geen aureool, geen hemels gewaad. In plaats
daarvan zag ik een jongeman, eenvoudig gekleed, zonder opsmuk, maar
met een schoonheid die onaards en onvergelijkbaar was. Hij straalde
rust uit, onmetelijke liefde en een energie die door alles heen leek te
gaan. Hij was daar, kalm, tijdloos, en ik voelde hoe zijn aanwezigheid
mij omhulde met een sereniteit die ik nooit eerder had ervaren. Deze
ervaring voelde levend, echt, meer dan een droom. Hoe zou ik kunnen
dromen over iets dat ik me niet voor kon stellen?
Wat me verder opviel was een vreemd, mysterieus raster van zwarte
stipjes dat tussen ons in leek te hangen, als een soort traliewerk dat
ons scheidde. Het gaf me het gevoel naar een andere dimensie te kijken,
alsof ik een glimp opving van een wereld die vlakbij lag, maar onbereikbaar
was.
Jarenlang bleef deze ervaring als een schaduw door mijn gedachten
spoken. Het was een raadsel dat ik niet kon oplossen. Waarom had ik
dit gezien? Waarom op die specifieke dag? Waarom leek die aanwezigheid
mij te kennen, zonder een enkel woord te spreken? Zo'n dertig
jaar lang worstelde ik met deze vragen, twijfelend en onderzoekend,
tot ik in 2015 de innerlijke belofte deed: ik ga een boek schrijven. Het
was een belofte aan mezelf en misschien ook aan die kracht die ik op
die dag in 1987 gevoeld had.
Tijdens het schrijven begon ik langzaam een opmerkelijke transformatie
door te maken; een groei op spiritueel niveau. De gevoelens van
diepe teleurstelling en verdriet begonnen plaats te maken voor begrip,
acceptatie en een groeiend gevoel van liefde voor mezelf, terwijl ik ook
mijn eigenwaarde begon te ontdekken. Woord voor woord, bladzijde
voor bladzijde, voelde ik hoe het schrijven mij hielp om mijn innerlijke
demonen te verjagen en af te rekenen met mijn grillige verleden. Ik
begon vrede te sluiten met mijn jeugd, leerde ik mijn ouders te zien
vanuit een nieuw perspectief,en zag in dat zij, net als ik, slechts mensen
waren die worstelden binnen de beperkingen en pijnen van hun eigen
leven. Zij waren geen schuldigen, maar slechts spelers in een wereld
waarin angst, zorgen, pijn en verdriet als normaal beschouwd werden.
Na verloop van tijd opende deze inzichten voor mij een geheel nieuwe
wereld; een wereld van vergeving, begrip en acceptatie. En toen ik dat
punt bereikte, groeide er in mij een diep verlangen om mijn overleden
moeder nog eens te zien. Misschien wilde ik haar in die rust zien die zij
in haar leven maar zelden had ervaren. Enkele dagen na dat verlangen
verscheen mijn moeder inderdaad voor mij. Daar zat ze, in een comfortabele
fauteuil, gehuld in een stralend wit gewaad, omgeven door een
vrede en rust die bijna tastbaar leken. Dit moment duurde maar kort, een paar
seconden misschien, maar het was genoeg om me te vervullen met een onbeschrijfelijk gevoel
van verbondenheid en geluk. De aanblik van haar beeltenis voelde als
een zegening, een teken dat het goed was; dat zij vrede had gevonden.
Alle puzzelstukjes van mijn leven leken op hun plaats te vallen, alsof ik
eindelijk de verborgen patronen zag die altijd al aanwezig waren. Maar
ondanks alle inzichten bleef één vraag nog steeds knagen: Waarom ik?
Waarom kreeg ik dit visioen op die specifieke dag? Waarom werd mijn
ziel geraakt door deze verschijningen? De herinnering aan die ‘engel’
op mijn geboortedag en de verschijning van mijn moeder lijken geen
toeval. Misschien zijn het tekenen, zachte aanwijzingen dat er altijd
hoop is, zelfs op de donkerste momenten van het leven.
De wereld lijkt vol chaos en lijden, maar als we de stilte binnenin onszelf
zoeken, ontdekken we dat de wereld eigenlijk een spiegel is van onze
innerlijke reis. In de woorden van Jezus: ‘wie zich zelf kent, kent God’,
kunnen we de uitnodiging vinden om niet buiten onszelf te zoeken,
maar om te leren begrijpen dat de antwoorden ín onszelf liggen. In
plaats van te vechten tegen de wereld, kunnen we ons richten op het
veranderen van onszelf en het vinden van vrede in ons hart, en in die
vrede, misschien, de wereld een beetje meer verlichten.
×