Fragment
Pekosha knikte. Ze schoof voorzichtig bij Matéa op de bank, haar voeten bengelend boven de grond. “Hoe heet u?” vroeg ze beleefd — in het Engels, met een accent dat tegelijk vreemd en vertrouwd klonk.
Matéa keek naar haar. Naar het vuur dat als koper door haar vlechten liep. Naar de rust in haar stem. “Ik heet Matéa,” antwoordde ze.
Het meisje keek even naar Pekosha, toen weer naar haar, alsof ze de betekenis van hun woorden al voelde. “Ik heet nog niets,” zei ze toen, bijna verontschuldigend.
Matéa knikte langzaam. “Dat vertelde hij me.” Ze boog zich iets dichter naar het kind, haar stem zacht en warm. “Vind je Sofía een mooie naam?”
Het meisje keek op, haar grote blauwe ogen vingen het licht van het vuur. Even bleef ze stil, alsof ze de klank wilde voelen voor ze hem losliet. “Fía?” fluisterde ze toen, als een geheim dat ze voorzichtig uitprobeerde.
Matéa’s glimlach groeide, langzaam maar zeker. “Fía dan. Als jij dat wilt.” Ze streelde even het haar van het meisje. “We zullen je Sofía Ahuli noemen. Een naam met wortels, en vleugels.”
×