Fragment
Hoofdstuk 1 (fragment) - De onstuimige Rājakumāra
Woest raasde de ruiter langs de weg, die van het legerkamp van de Maurya’s naar de hoofdstad Pāṭaliputra voerde, stralend in het schitterende licht van de zon van Indra-land. Iedereen stoof opzij en bleef angstig in een deemoedige houding staan tot het ruime, wapperende, witte overkleed vernevelde in de stofwolk die warrelde door de brandend hete lucht. Het gezicht van de overmoedige ruiter was donker geelachtig brons. Zijn onaantrekkelijke, grove trekken waren krachtig en energiek. Zijn glinsterende zwarte ogen onder de glanzende hoofddoek van witte zijde uit China, bliksemden de stad van de vijfhonderd torens, die de omwalling van zware palissaden kroonden, tegemoet. De hoeven klepperden op de brug die naar de zuiderpoort leidde. De wachters schoten in een onderdanige houding voor de ‘onstuimige Rājakumāra’. Zonder een blik opzij draafde hij de brede Cakravartin-weg op. In de verte rees het witte paleis van de Maurya’s op uit de donkere bomen van het park. Pas toen hij op zijn paard over de brug en door de poort van de uitgestrekte tuinen galoppeerde, hield hij zijn vaart in. Met één sprong stond hij naast het bezwete dier, wit bevlekt met vlokkig schuim, klopte het zacht tegen de hals en wierp de teugels naar de ijlings toegesnelde slaaf. Juichend gelach van meisjes en jongemannen steeg op bij de grote vijver in een uitgestrekt gazon, dat grensde aan bosschages van in- en uitheemse bomen en struiken. ...
‘Zeg mij, mijn Guru, wat is de Gupta-Vidyā van de Veda? Gij onderwees mij de heilige hymnen van de Rig-Veda, de Śrauta- en Gṛhya-sūtra’s en de Arthaśāstram. Ik ken dus de goden en de offeranden die ze eisen, de werken die ik moet doen voor mijn lichamelijke en geestelijke heil en ook voor de plichten van de Mahārāja. Mijn leertijd loopt ten einde. Ik wens nu de Gupta-Vidyā te kennen.’
‘Gijzelf, o Rājakumāra, hebt een grote verering voor Śiva.’
‘Zeker, mijn Guru. Śiva is de heer van alle kennis, hij leerde de Rishi’s wijsheid, kunst, muziek, hij is de heer van het heelal, die zetelt in zijn glinsterende Himalaya-paleis en bestuurt door zijn machtige manas de wereld en de hemelen; hij is de heer van de dood, de verwoestende kracht van het al; hij is de god van de ondergaande zon en de stier van dood en doding, dat ziet mijn oog elke dag, spreekt tot mij uit alles wat gij mij leerde, klaar en doorzichtig als de heldere nacht. Śiva-Rudra, Śiva is de Mahā-Guru, de schepper en de vernietiger. Agni noch Brahmā noch Varuṇa spreken tot mij door hun werken, maar Śiva! Wilt gij mij in de Gupta-Vidyā inwijden, mijn Guru? ...
×