Fragment
We lopen het park in. Ik vertel dat na de dood van Juul we vaak samen dit hondenrondje liepen. Hij miste de wandelingetjes en ik werd zijn uitlaatsmoes. Ik mocht niet tegen elke boom pissen en aan de riem lopen was ook niet nodig. Gewoon braaf volgen was het devies. We komen bij de struiken waarachter, aan de voet van de treurwilg, Opa’s honden begraven zijn.
‘Hier ligt Juul en daar Dolfie. Opa heeft Dolfie zelf begraven en Juul hebben we samen gedaan.’
Arend vindt het een prachtige plek. Ik schroef het deksel van het potje en strooi voorzichtig op beide plekken wat as uit.
‘Gottegottegot,’ klinkt het zachtjes achter mij.
Ik draai mij om en de grote kerel staat met een zakdoek in zijn ogen te wrijven.
‘Wat een mooie bestemming. Wat een mooie bestemming,’ snottert hij.
Ik geef hem het jampotje.
‘Wil je ook?’
‘Vind je…. Mag ik…. Echt?
‘Ja.’
Hij vervult zijn taak met wat ik het beste kan omschrijven als tederheid. Met in de ene hand het jampotje en in de andere zijn zakdoek. Een aandoenlijke aanblik.
×