Fragment
Ronald Maasland schoot recht overeind in bed. Zijn hart bonsde alsof iemand met een vuist erop inbeukte. Hij hapte naar adem. De kamer was stil. Veel te stil.
Iets had zijn slaap gesloopt, maar was weer verdwenen.
Het geluid zat nog steeds ergens in zijn hoofd. Een doffe dreun. Of was het een krakend geluid geweest? Hij wist het niet meer. Alleen de stilte bleef scherp in zijn oren hangen.
Hij bleef roerloos zitten, het gekreukelde laken half over zijn schoot. Zijn ademhaling kalmeerde langzaam, maar de kilte op zijn huid bleef hangen, klam en prikkend.
Regen tikte tegen het raam. Normaal vond hij dat geruststellend, maar nu was het gewoon irritant. Het vale schijnsel van de straatlantaarns viel naar binnen en gooide kromme, bewegende schaduwen op het plafond, terwijl druppels traag naar beneden gleden op het glas. Hij keek om zich heen. De kast stond nog op zijn plek. De stoel met zijn kleren, precies zoals hij het had achtergelaten. Het bed voelde warm en vertrouwd onder hem. En toch trok de warmte niet in zijn lichaam. Zijn nekspieren bleven gespannen, zijn schouders licht opgetrokken, alsof ze iets aanvoelden wat hij nog niet kon benoemen.
Zijn hand gleed automatisch naar zijn horloge. Kwart over vijf. Hartstikke vroeg in de ochtend nog. Hij knipperde een paar keer, schudde zijn hoofd en sloeg het laken van zich af. Wat had hem wakker gemaakt?
Zijn blote voeten raakten de linoleumvloer, en hij rilde. Kou trok als een elektrische schok omhoog door zijn benen. Het was absurd: het was midden in de zomer. Vandaag, voordat het was gaan onweren was het warm en zwoel geweest. Nu leek het alsof de winter stiekem zijn kamer in was gekropen. Zijn adem kwam in witte wolkjes uit zijn mond. Hij fronste en keek verbaasd naar zijn handen. De vochtige kou kroop dieper in zijn huid.
Hij stond op en liep op de tast naar de lichtschakelaar. Het klikte, maar niets gebeurde. Na nog twee keer klikken sprong het licht aan. Hij zuchtte. Niet weer. Werkte er dan helemaal niks hier?
Hij trok zijn shirt van de stoel en liep naar de badkamer. Voor de spiegel draaide hij de kraan open. Het water kwam met horten en stoten naar buiten. Snerpend. Daarna een schrapend geluid, alsof het door de muren werd geperst.
Hij boog zich voorover en liet een plens water over zijn gezicht glijden. De kou trok scherp door zijn poriën. Hij keek naar zichzelf in de spiegel, naar de vage contouren van zijn gezicht in het vale licht van de straatlampen. Zijn ogen waren zwaar, met een doffe rand van slapeloosheid. Sukkel. Natuurlijk hoor je weer dingen. Dat krijg je ervan als je niet fatsoenlijk een nacht doorslaapt.
Maar toen hij terugliep naar zijn kamer en het raam opende, hoorde hij het opnieuw: een lage, gedempte dreun. Dat had hem dus wakker gemaakt.
×