€ 19,95

ePUB ebook

niet beschikbaar

PDF ebook

niet beschikbaar

Cassiodorus' lamp

Hoe het maanlicht werd gevangen en weer verloren is gegaan

Chris de Bont • Boek • paperback

  • Samenvatting
    In de vierde eeuw voor Christus maken Pytheas de jongere, een Griek uit Massalia (Marseille) en Gyptis, een Keltische jonge vrouw uit Carsac (Carcassonne) een gevaarlijke tocht naar het mythische Ultima Thule, ergens in het uiterste noorden van Europa, op zoek naar de bron van het eeuwige licht dat daar te vinden zou zijn.
    Duizend jaar later, in de zesde eeuw na Christus, is Cassiodorus, raadsheer van de gotische koning Theodorik, in bezit gekomen van deze geheimzinnige energiebron. Maar raakt hij deze aan het eind van zijn leven ook weer kwijt?
    Halverwege de twintigste eeuw lijkt Cas Levendig op het spoor te zijn gekomen van de vindplaats van de maanstenen, die wonderbaarlijke energiedragers. Hij geeft de plek met een bladgoud icoontje aan op de zeventiende-eeuwse kaart van IJsland van de Amsterdamse kartograaf Bleau, die hij in kleur aan het afzetten is.
    Lukt het zijn kleinzoon Cas, na de gruwelijke dood van zijn grootvader en na zijn eigen vreselijke ongeluk tijdens de strenge winter van 1963, om deze wetenschap wereldkundig te maken?

    Chris de Bont (1951) is historisch geograaf
  • Productinformatie
    Binding : Paperback
    Distributievorm : Boek (print, druk)
    Formaat : 148mm x 210mm
    Aantal pagina's : 148
    Uitgeverij : Paganellus Minor
    ISBN : 9789090405896
    Datum publicatie : 09-2025
  • Inhoudsopgave
    niet beschikbaar
  • Reviews (0 uit 0 reviews)
    Wil je meer weten over hoe reviews worden verzameld? Lees onze uitleg hier.

€ 19,95

niet beschikbaar

niet beschikbaar



3-4 werkdagen
Veilig betalen Logo
14 dagen bedenktermijn
Delen 

Fragment

Pagina 31-33:

CASSIODORUS
ca. 480/485 - 580 na Christus

Cyprianus’ gesel* raast over het land, graaft zich een weg onder de sinds mensenheugenis ongebroken vestingmuur door, vloeit uit over het plaveisel van de onneembaar geachte stad en borrelt op in de gemeentelijke latrines waar de stedelingen, jong en oud, zich ontlasten en elkaar besmuikt de laatste roddels vertellen, haakt daar bij aan en besmet de lasteraars met een snelle doodskus. Enkele uren later begint het grote sterven in de stegen, sloppen en krochten waar de paupers wonen. Binnen twee dagen zijn daar bijna alle borelingen dood, evenals de meeste van hun grootouders en hun moeders, de vaders met de oudere kinderen radeloos achterlatend. De elite verlaat hun overdadig versierde stadspaleizen en ontvlucht de stad; Cyprianus heeft zijn weg langs de brede boulevards met de hoge, weelderig uitwaaierende platanen en de statige huizen van de rijken nog niet gevonden.

Haastig hebben onze huisslaven kisten met huisraad, het huisaltaar, maar vooral met gouden en zilveren snuisterijen volgestouwd en ze op ossenkarren naar ons familiedorp vooruit gestuurd. Enkele sterke jonge slaven bewaken die kostbare kolonne. Mijn familie wordt één met de stroom vluchtelingen, trekt met hen in een grote boog om de stinkende gribus achter de thermen* waar op elke straathoek de dood zijn verrottingsgassen uitscheidt en verlaat door de Constantinopelpoort de stad. Bij de eerste heuvels van het voorgebergte rijden we van de stoet weg, over een pad langs een kraakheldere, traag stromende beek de bergen in. Ik, mijn vader en mijn twee broers op paarden; mijn moeder, oma, mijn tweelingzusjes en onze benjamin volgen in de met fluwelen kussens belegde tent op de ossenwagen. Hieromheen zwermt een tros huisslaven en hún familie: moeders lopen met de kleinsten op hun rug of heup, een enkel ouwetje zit, verscholen onder een stapel kookgerei, op een gammele houten kruiwagen. Bij iedereen, groot of klein, heer of slaaf staat de angst op de gezichten gebeiteld, angst, maar ook berusting. Er wordt tijdens de tocht nauwelijks gesproken. Zelfs de kinderen lopen zwijgend naast elkaar. Soms klinkt uit de ossenwagen het gehuil van de baby, maar dat wordt door mijn moeder direct stilgesist.

Mijn voorouderlijk dorp is als een zwaluwnest geplakt tegen de roodgekleurde steile helling van een berg met een top die boven de scherp gekartelde bergketen uittorent. In dit rovershol eisten vele generaties voorvaderen tol van de kooplieden die met hun volgeladen ezeltjeskaravanen het kronkelige pad naar de laatste, maar ook hoogste bergpas op hun weg naar zee zonder problemen hoopten af te leggen. Mijn grootvader als publicanus* kon niet anders; er was hoegenaamd geen vruchtbare grond bij het dorp. Meer nog dan in kostbare stoffen en glimmende siervoorwerpen uit verre landen was hij vooral geïnteresseerd in de leren zakken met proviand en wijn. Wat muntgeld hield hij apart voor de belastingambtenaar die eens per jaar ‘des keizers deel’ kwam innen, zoals mijn grootvader dan vilein-lachend zei terwijl hij snel met zijn rechtervuist op zijn hart klopte. Ik ben blij dat ik hem als kind nog heb gekend.

Op een wolkenloze zomerdag nam hij me mee naar de rand van het dorpsplein, waar een stenen bankje stond met uitzicht op het pad in de kloof dat leidde naar de bergpas. Vanachter een bosje kwam een ezeltjeskaravaan in zicht. Het gebalk van de gekwelde dieren echode tegen de steile rotswanden. Voorop reed een dikke man op een grote muilezel, een bontmuts op zijn hoofd en een fonkelend gouden mes aan zijn broekriem. In zijn rechterhand hield hij een stok waarmee hij de volgers wees op kuilen in de weg. De volgepakte ezeltjes sjokten als ganzen in een lange rij achter elkaar. Om de paar ezeltjes liep een man met een twijg in zijn hand waarmee de dieren zacht werden aangespoord om de vaart erin te houden, iets waartegen de lastdieren zich toch luidkeels verzetten.
‘Let op, Cassio,* het zijn altijd de wat oudere ezeltjes die het eten moeten dragen, vooruit geschopt door enkele viezige jochies. Af en toe slaat een man met zijn twijg zo’n slavenjong op zijn kuiten en dan weet je dat daar ons eten voor de komende weken voorbij gaat.’
‘Die jongens moeten toch ook wat eten, grootvader?’
‘Langs de kust is voedsel in overvloed; ze houden hun bolle buiken maar even in.’
Ik keek naar de jonge slaven midden in de stoet, maar kon ze toch niet op bolle buiken betrappen.
‘Dat is toch stelen? vroeg ik vroom, mijn godsdienstlessen bij vader Jeroen in de stad indachtig.
‘Kom wijsneus, we gaan eten,’ zuchtte hij. ‘Het is van de ezeltjes.’
Daar kon ik niets tegenin brengen. ×
SERVICE
Contact
 
Vragen