Fragment
Mijn naam is Herm(an) Joosten, en ik ben geboren in 1962. Mijn ouders vonden het nuttig als hun kinderen aan sport deden -waarschijnlijk om te compenseren dat ze dat zelf al heel lang niet meer deden- en dus mochten we kiezen van welke sportclub we lid wilden worden. Veel keus was er in 1970 echter nog niet; het was foeballe of zwumme, veel meer was er niet. Het werd zwemmen voor mijn broer Johan en mij, en turnen voor zus Marian.
Johan en ik werden lid van de net opgerichte Zwemvereniging Helden, die mocht trainen in het net gebouwde overdekte zwembad van Panningen. Een bijzonder zwembad, want het had een lengte van 20 meter (in plaats van de gebruikelijke 25 of 50 meter), een lengte die het precies ongeschikt maakte voor elke zwemwedstrijd. Wij trainden enkele keren per week, soms in het veel te warme binnenbad en soms in het veel te koude buitenbad. Op zaterdag deden we “conditietraining”, dat was hardlopen in de Heldense Bossen. Dan verzamelden we in het clubgebouwtje van de tennisvereniging, gingen een uurtje rennen om daarna bij de kachel in twee uur weer op te warmen met warme chocolademelk.
In 1971 deden meerdere leden voor het eerst mee aan de Limburgse Zwemkampioenschappen. Johan won meerdere medailles en ik geloof ik ook een. Er waren tijden -vooral net voor de Nederlandse Kampioenschappen- dat we twee- of zelfs driemaal per dag trainden. Alle trainingsarbeid werd vastgelegd in schriftjes en boekjes waar ook de afgelegde afstand en het aantal slaapuren werd vermeld. Dat trainingsdagboek werd zo nu en dan gecontroleerd door de trainer, die er dan iets bij schreef zoals “zorg dat je op tijd naar bed gaat” of “je kunt nog harder als je je best doet”, of “drink meer melk”.
Op enig moment werd ik “gescout” door Mosa Regio, de zwemvereniging uit Venlo, die in de grote landelijke zwemcompetitie uitkwam. De trainer kwam mij ’s morgens om half zes ophalen met zijn gele buggy om te gaan trainen in Blerick of Venlo. Dat trainen was dan van 6 uur tot half acht. Daarna ging ik met de bus terug van Blerick naar Panningen, at wat thuis en ging daarna naar school. Ik was de enige waarschijnlijk die fit en wakker op school kwam, want ik had er al drie uurtjes opzitten.
Op een ochtend werd ik opnieuw door de trainer opgehaald van huis, ’s ochtends om half 6, toen we omringd werden door gewapende ME-ers, die ons met getrokken mitrailleurs dwongen uit te stappen. Het was de tijd van de ontvoering van Hans-Martin Schleyer, de Duitse werkgeversvoorzitter, door de RAF, de Rote Armee Fraktion, een linkse terroristische organisatie. De Nederlandse politie dacht dat Schleyer wellicht in Nederland was verstopt en de politie was dus extra waakzaam vooral in het grensgebied. Wij hadden Schleyer niet bij ons en mochten dus weer verder.
×