Samenvatting
Na het vertrek van de Romeinen uit de Westhoek volgen haast onzichtbare eeuwen tot de woongemeenschap Ipra stilaan in beeld verschijnt. Diverse kronieken hebben het over het ‘Drie Torrenkasteel’ aan de (Ieper)Leet, de doortocht van geloofspredikers en de komst van Frankische volkeren, Germanen die gaandeweg hun stempel drukken op ons land dat nu deel uitmaakt van het grote Frankische Rijk. Door toedoen van Karel de Grote doet de feodaliteit zijn intrede in het Frankenrijk met een grootschalige verkaveling in duizenden leengebieden die allemaal te maken krijgen met hun eigen adellijke leenheer. Zo ook in het leengebied, Ipra of Ieper die in 805 zijn twee eerste wetheren toegewezen krijgt. Na de ravage van de Noormannen laat graaf van Vlaanderen Boudewijn II vanaf het jaar 900 de verwoeste burcht aan de Leet opknappen en is er nu al sprake van enkele woningen rond een centrale landhoeve, samen beschermd en omringd door beschermende wal die de inwoners geleidelijk voorzien van een gracht en stadspoorten. In de bosrijke omgeving van het ontluikende Ieper ontkiemen diverse kerspelen die stilaan uitgroeien tot parochies met hun eigen kerken.
Een eeuw later is het oorspronkelijk woongebied van Ieper al fel uitgebreid. Een groeiende bevolking koestert zijn beschermende wallen met nu al zes stadspoorten. Het verbinden van de Ieperlee met de IJzer blijkt een schot in de roos. Hongersnood, ziekten en oorlogen beletten niet dat de gemeenschap al voor het jaar 1100 veranderd is in een economische draaischijf tussen de Noordzee, de Leie en het binnenland. De jonge stad manifesteert zich nu als hét bruisend centrum van het Westland, een hoofdstad die zich laat gelden als autoriteit in zijn ruime omgeving of kasselrij. Intern kannibaliseert het oude centrum diverse leengebieden rond zijn centrum en slorpt het de lokale entiteiten van het Ketelkwaad, het Hoveland, de tempelgebieden, het Rolleghemse en de Upstal op. Hun respectieve inwoners gelden voortaan als Ieperlingen en worden onderdanig aan de stedelijke wetgeving, geschoeid op Germaanse leest. De zelfverzekerde groei van het Sint-Maartenskapittel in zijn eigen territorium met tal van nieuwe kerken zorgt voor de nodige dynamiek en stevige concurrentie tussen het geestelijk en wereldlijk establishment van de jonge dynamische stad waar burggraaf, baljuw en schepenen hun specifieke rollen spelen.
Ieper doorstaat zonder al te veel kleerscheuren een woelige 12e eeuw en presenteert zich rond het jaar 1200 dankzij zijn succesvolle lakennijverheid als een van de grootste steden van de westelijke wereld. Hun financiele, economische kracht en de macht van hun menselijk potentieel bewijzen de Ieperlingen met de bouw van een majestueus en architecturaal zeer eigenzinnig belfort, geflankeerd door de reusachtige lakenhalle die de wereld met verbluffing slaat. Een meesterstuk dat binnen duizend jaar nog altijd hoge ogen zal gooien! Samen met Gent en Brugge oefent Ieper nu een bepalende invloed uit op het beleid van de graven van Vlaanderen.
De aanwezigheid van massale hoeveelheden goedkope werkkrachten die volop uitgebuit worden door de Ieperse aristocratie en de ongebreidelde macht die de heren van het stadhuis claimen, zorgt in de schoot van de bruisende ambachtsgilden voor hoogspanning. Die komt in 1280 tot uitbarsting met de Kokerulle. Tijdens een verwoestende raid door de stad treden arbeiders en ambachtslieden in het verzet tegen de exclusieve rechten die de stadhuisheren menen te hebben op hun levens. Ondanks een forse bestraffing door de graaf ziet die in afloop van deze gebeurtenissen toch wel in dat veranderingen in het stadsbestuur noodzakelijk zijn om Ieper op evenwichtige manier in stand te houden. Met dat veelbelovend democratisch vooruitzicht gaan de stedelingen een spannende 14e eeuw tegemoet.