Fragment
Alex gaat mee boodschappen doen. Hij is twee jaar oud en groot voor zijn leeftijd. Hij ziet er meer uit als een kleuter dan een peuter. Bij de slagerij vertel ik wat we willen hebben en opgewekt pakt de slager de bestel-ling in. “En, wil de jongeman een plakje worst?” vraagt hij als ik heb afgerekend. De jongeman reageert niet. Ik stoot Alex aan en wijs op het plakje worst dat de slager omhooghoudt. “Alex, worst?” Nu lacht hij en knikt. “Ja, dat vindt mijn zoon wel lekker,” zeg ik. De slager reikt over de toonbank en geeft het plakje worst. Alex lacht weer en bijt in de worst terwijl we de winkel uit lopen. Achter onze rug hoor ik nog net de volgende klant zeggen: “Nou ja zeg, die kinderen wor-den tegenwoordig ook niet meer opgevoed. Die jongen zei niet eens dankjewel toen hij een plakje worst kreeg.” Mijn maag krimpt ineen. Moet ik nu teruglopen en uitleggen dat Alex nog helemaal geen dankjewel kan zeggen?
Een maand later op het consultatiebureau kijkt de wijkverpleegkundige me afwachtend aan. “Welke woorden kent Alex, behalve ‘papa’ en ‘mama’?” Voorzichtig zeg ik: “Eh… kunnen we even terug naar ‘papa’ en ‘mama’?” Alex zegt namelijk geen “papa”. En geen “mama”. En geen enkel ander woord. Behalve “okie”, dat is gebleven. “Okie” is niet genoeg. Evenmin mijn zwakke protest dat een aantal mensen in onze kennissenkring met twee jaar ook nog niets konden zeggen en nu toch een heel vlotte babbel hebben. Er komt een vinkje bij “achterstand in taal-/spraakontwikkeling” en de bijbehorende brochure wordt tevoorschijn getrokken.
"Als praten niet vanzelf gaat" heet de brochure. Een dun blaadje met oppervlakkige tips zoals “Praat niet te snel tegen uw kind.” Toch is de brochure allesbehalve triviaal. Het is namelijk de eerste stap van een traject. Een traject dat ons de maanden erna via consultatiebureau, huisarts en specialist zal leiden naar het hoogste niveau van de kennisketen, het academisch ziekenhuis.
×