Fragment
Mechelen, september 1977
De bonte carrouselpaarden draaiden op een enkel kind na verlaten hun rondjes. En zelfs het naar tweetact walmende draaiorgeltje wist met zijn mechanisch gejodel de weergoden niet vrolijk te stemmen. Het was duidelijk: het plotseling stevig inzettende najaar speelde de herfstkermis ongekend parten. De Mechelaars zochten hun vertier binnenshuis of in de nu al tjokvolle staminees. De anders zo optimistische uitbaters van de attracties zagen de bui voor vanavond ook hangen. Hielden het de een na de ander voor gezien: pakten in, doofden het gas onder de frituur, rolden de zeiltjes uit en sloten de tent.
Een verregende suikerspin ontwijkend en het vergeten pluchen konijn zonder oor balorig wegtrappend, raakte de kleine slecht op het weer geklede figuur in zijn schoenen soppend aan de rand van het kermisterrein, en keek op.
‘Da’s nu je vijftiende. ’k Heb ze geteld…’
Ze hing in de deuropening van een enorme camper, schuilend onder een klein luifeltje. Een al wat oudere vrouw in badjas, met in haar hand een whiskytumbler.
‘Vanaf vanmiddag,’ vervolgde ze, ‘toen ik als Madame Preo van achter m’n kristallenbol nog de toekomst voorspelde. Vijftien doelloze rondjes in de gonzende giet…’
Als ouderen zo tegen je spraken wilden ze wat. Dat was het weinige dat het harde leven in Argentinië hem ooit had geleerd. Meestal seks, en hij was al van plan om door te lopen toen ze een stap zijn richting uit deed.
‘Je lijkt op m’n zoon schat, die in net zulk pestweer verdween. Je bent zeiknat, kóm er toch in! En denk maar niet dat het voor dát is,’ haar vingers maakten een obsceen veelzeggend gebaar, ‘want daar heb ik zo’n miezertje als jij écht niet voor nodig!’
Dat laatste kon hij zich voorstellen en na enige aarzeling stapte hij over de drempel om voorlopig uit de regen te zijn.
‘Doe je schoenen maar uit en hang je doorweekte goed maar daar, dan schenk ik wat voor ons in!’
Dat daar bleek een rekje naast een prettig brandende gashaard die suizend de kilte verdreef. Terwijl hij zich nog verbaasd aan de ruimte en inrichting stond te vergapen, drukte ze ‘Proost!’ zeggend een glas in zijn hand. En wijzend op een rood tweezitsbankje: ‘Gá zitten! ’k Zie je zo kijken… Wát denk je? Zo’n malle kaartlegster leeft ’r toch maar rijkelijk van?’
Afgaande op de alcoholgeur was ze al flink in de olie, maar horen deed je het niet. Wel had de drank haar praatziek gemaakt, en wist hij binnen de kortste keren van haar glorieuze verleden als Flory Keys; jazzpianiste én zangeres.
Het vuur in zijn keel van de eerste whisky die hij ooit dronk was heftig, maar verdreef wel de kou uit zijn botten. Daarnaast werd hij ondanks zijn muizenslokjes een tikkeltje teut, en toen ze besloot voor hem te gaan koken – ‘Niks moeilijks hoor, gewoon roerei met tomaat en ham op toast!’ – had hij zijn remming verloren en kletste voor zijn doen honderduit.
×