Fragment
‘Dus vannacht blijf je op Texel?’ zegt ze.
‘Nee hoor, ik loop zo terug en dan neem ik de laatste boot naar Den Helder. Daar staat mijn auto met mijn overnachtingsspullen. Morgen moet ik hier weer zijn, de opening is uitgesteld.’
‘Je bent hier lopend? En je wilt nu nog naar de veerboot? Dat lukt je niet. Het is ruim over achten. Met stevig doorlopen ben je er misschien over een uur. Dat is te laat.’
‘Maar daar hebben we geen woord voor. Trouwens,’ Arend realiseert zich wat ze bedoelt, ‘dan zouden we woorden moeten hebben voor tafeltje-met-een-glas, tafeltje-met-drie-glazen, tafeltje-met-vaas-rode-tulpen. Dat kán helemaal niet.’
‘Onze taal schiet tekort als het gaat om verbinding,’ Welkgram kijkt Arend ernstig aan en voegt dan toe: ‘dat heeft enorme consequenties.’
Myrthe staat stil en als Arend zich naar haar omdraait zegt ze met een ernstig gezicht: ‘Dat je, als je iets niet kunt aantonen daarmee niet bewijst dat het niet bestaat. Ze hadden het vroeger niet voor niets over helen.’
×