Fragment
De regen viel niet recht naar beneden. Hij werd door de wind tegen de huizen gedrukt, alsof de nacht zelf iets probeerde te verbergen.
Inspecteur Elira Storme stapte uit haar wagen. Het was 04:12, dat vreemde uur waarop de wereld nog twijfelt of ze wakker wil worden.
Ze bleef even staan en luisterde. Water dat tikte. Een verre snelweg. Stilte die te zwaar aanvoelde.
Voor haar lag de villa.
Modern. Stil. Te stil.
Binnen lag een man.
Geen bloed. Geen sporen. Geen teken van geweld.
“Hij is gewoon gestopt,” had de wetsdokter gezegd.
Maar Elira wist beter.
Want bij zijn mondhoek zat iets dat er niet hoorde te zijn.
Een klein, wit schilfertje.
Rijstpapier.
Ze keek naar het raam. Naar de schaduw van de bomen daarachter.
En ergens, zonder dat ze het kon zien, voelde ze het.
Iemand keek mee.
×