Fragment
Dylan staart naar de eerste hindernis: een smalle, gladde loopbrug boven diepe schachten waar het water kolkt als in open magen van steen.
Hij fluit zachtjes door zijn tanden.
“Oké,” zegt hij. “Dat ziet er... gezellig uit.”
Tom fronst diep.
“Gezellig is niet echt het woord dat ik zocht, D.”
Stephanie staat al bij de rand en scant de planken en touwen. Haar blik is strak en berekenend.
“Het hout is rot. We moeten één voor één. Gewicht verdelen, anders gaan we.”
Brok blijft een paar stappen achterstaan.
Dylan draait zich om en ziet het meteen: de opgetrokken schouders, de starre blik, de manier waarop Brok zijn vuisten balt.
“Je bent doodsbang,” zegt Dylan zacht.
“Niet bang,” mompelt Brok. “Gewoon... realistisch.”
Tom slikt moeizaam.
“Dit is geen game, Dylan.”
Maar Dylan voelt iets anders dan angst. Zijn hart beukt — niet van paniek, maar van pure adrenaline.
Hij denkt aan Brooke en wat er op het spel staat.
Ineens is alles kraakhelder. Niet stoer doen, niet de grappenmaker uithangen. Gewoon zorgen dat iedereen veilig is.
Dylan zet een stap naar voren.
“Ik ga eerst,” zegt hij resoluut.
Stephanie kijkt op.
“Dylan—”
“Ik check wel even hoe glad het is.”
Tom zucht diep.
“Natuurlijk, ga jij de held maar weer uithangen.”
Dylan laat een korte, felle grijns zien.
“Iemand moet het doen, toch?”
Hij stapt voorzichtig op de eerste plank. Het hout kraakt onheilspellend, maar houdt stand. Hij spreidt zijn armen om zijn balans te houden.
“Zie je?” roept hij naar de rest. “Piece of cake.”
Onder hem spat het water hard tegen de stenen wanden.
Hij kijkt even achterom en zijn blik zoekt Brok. Hij steekt een bemoedigende duim omhoog.
Brok slikt.
“Als je valt, vergeef ik je dit echt nooit.”
Dylan loopt verder, volledig gefocust nu. Aan de overkant draait hij zich om.
“Oké,” zegt hij. “De regels: langzaam, één voor één. Kijk naar mij, niet naar de diepte.”
Zijn ogen blijven op Brok rusten.
“En ik vang je op,” voegt hij eraan toe, alsof het de normaalste zaak van de wereld is.
Tom merkt het.
Stephanie ook.
Maar niemand zegt er iets van.
Voor het eerst is Dylan niet bezig met indruk maken, maar alleen met zijn vrienden veilig over de streep krijgen.
“Oké, Brok. We doen dit samen. Je kunt dit, man. Ik help je,” zegt Dylan met een stem die geen twijfel toelaat.
Tom pakt Stephanies hand.
“Samen?”
“Samen,” herhaalt ze zacht, alsof ze zichzelf moed indrinkt.
De brug begint gevaarlijk te wiebelen zodra ze hun eerste stap zetten. Het hout krijst onder de spanning. Een oude katrol boven hen piept protesterend.
Ineens schuiven Broks voeten weg op het spekgladde hout.
Voordat hij het weet, hangt hij half over de rand. Het kolkende water onder hem lijkt naar hem te happen.
“DYLAN!” gilt hij in paniek.
Zonder een seconde na te denken laat Dylan zich plat op zijn buik vallen.
Zijn vingers schieten naar voren en klemmen zich muurvast om Broks pols.
“Niet loslaten!” schreeuwt hij, zijn stem schor van de angst.
Dylans hele arm trilt van de kracht die hij moet zetten. Het ruwe hout snijdt pijnlijk in zijn borst terwijl hij zich schrap zet tegen de wiebelende planken.
Brok bungelt boven de afgrond.
“Dyl, ik red het niet—” hij hapt naar adem.
“Ik glij weg—”
“Niet naar beneden kijken,” zegt Dylan door zijn tanden heen.
“Kijk naar mij. Alleen naar mij.”
Zijn spieren staan in brand en zijn vingers beginnen te verkrampen.
Tom is er gelukkig meteen bij.
Hij laat zich op zijn knieën vallen, grijpt Brok bij zijn jas en trekt met alles wat hij in zich heeft.
“NU!” roept Dylan.
“TREK HEM OMHOOG!”
Stephanie grijpt Tom bij zijn middel om hem tegen te houden.
Met een oerkreet wordt Brok centimeter voor centimeter omhoog gesleept.
×