Fragment
De vijandige troepen omsingelden de woning en de omringende vertrekken. Onder leiding van assistent-resident Chevalier probeerden ze de Javaanse Prins Diponegoro te pakken te krijgen. Met 50 man cavalerie aan één zijde, 75 man infanterie aan de andere, en 2 kanonnen bestormden ze het dorp.
De prins zat in zijn woning uiterst onbewogen in kleermakerszit. Hij zei: ‘Wat kunnen we buiten doen? Als het noodlot het wil, moeten we toch sterven, hier of elders.’ Toen werd hij in de haast aan zijn arm meegetrokken door zijn oom Mangkubumi. Ze renden samen naar de achtertuin maar die had geen uitgang. De prins brak een gat in de muur met zijn blote vuisten, steeg op zijn favoriete paard, de zwarte Kyai Gentayu, en reed richting de rijstvelden, gevolgd door zijn rennende oom.
De middagzon van die woensdag 20 juli 1825 was reeds op zijn hoogtepunt, maar zijn stralen konden de rookwolken van de vele geweer- en kanonschoten amper doorbreken. De prins op zijn zwarte paard, geheel gekleed in een witte jubah in Arabische stijl, trok aan de teugels naar zijn rechterkant, keerde de blik naar zijn brandende dorp, liet Gentayu midden in het oogstseizoen een poosje dansen over de groene sawah. De wind liet de losse uiteinden van zijn witte tulband wapperen, sierlijk vloeiend in de hangende rookwolken. De kogels vlogen om hem heen, maar het was alsof hij en zijn paard door God beschermd werden.
‘Kijk! Ze hebben ons dorp in brand gestoken! We hebben geen woning meer. Laten we onderdak vragen bij Allah de Grootste!’
‘Allahu Akbar!’ riepen zijn volgelingen.
Hij keek nog voor de laatste keer achterom, naar zijn moskee in aanbouw, om dan in snelle galop te vluchten richting het oerwoud.
‘Hiyaaa!’
Ontsnapt.
×