Fragment
“Jongling… er is iets geschied dat onze oudsten niet kennen. Gij draagt niet één bloedlijn in uw aderen… maar twee.”
Hij liet de stilte na zijn woorden weergalmen, zijn blik diep in de mijne verankerd.
“Zowel het goud… als het zwart.”
Met een zwaai van zijn klauw riep hij magie op, en voor mij verscheen een glad, spiegelend vlak. Ik hief mijn kop en keek… en de adem stokte in mijn keel.
Mijn schubben fonkelden als gesmolten goud, maar over mijn poten en de onderkant van mijn buik lag een glanzend zwarte pantserlaag die het licht dronk in plaats van weerkaatste. De omlijsting van mijn vleugels was goud, terwijl het membraan ertussen diep zwart en bijna doorschijnend was in het zonlicht.
Maar het waren mijn ogen die me het meest deden schrikken en fascineren. Geen menselijke ogen meer, maar de ogen van een draak: diep zwart, met in het midden een vurige, gouden pupil die leek te gloeien vanuit een eigen, innerlijk licht.
Kerthia trad naar voren, haar stem zacht maar onmiskenbaar trots.
“Kleintje… je bent werkelijk uniek.”
De zwarte draak boog zijn massieve kop naar me toe, zijn ogen twee dieptes zonder einde.
“Wissel,” beval hij, zijn stem laag en onwrikbaar.
Ik keek hem met grote ogen aan. “Ik… ik weet niet hoe.”
Zijn lippen krulden in iets dat tussen een glimlach en een dreiging in hing.
“Voel je kern. Daar, waar goud en zwart elkaar raken. Denk aan het mens-zijn, aan de manier waarop je voeten ooit over aarde stapten, hoe je handen tastten. Laat dat beeld je trekken… en geef je eraan over.”
Ik slikte, knikte en sloot mijn ogen. Mijn hart bonsde onregelmatig terwijl ik zijn woorden probeerde te volgen. Eerst gebeurde er niets. De macht van mijn nieuwe lichaam zat als een tweede huid om me heen, vast, onaantastbaar.
Ik probeerde opnieuw en dacht aan de dag dat Kieron me geleerd had mijn vleugels op te roepen. Deze keer voelde ik het. Alsof er ergens diep in mij een sluier werd opgetild, een stroom die zich naar binnen krulde in plaats van naar buiten te slaan. Warmte trok door mijn botten, mijn spieren leken te verschuiven, kleiner te worden, mijn balans veranderde.
En toen… gleed ik. Dat was het enige woord ervoor. Ik gleed uit de kracht van de draak en in de begrenzing van iets dat tegelijk vertrouwd en vreemd voelde. In mijn menselijke lichaam.
Ik opende mijn ogen en keek naar mijn handen. Voor het grootste deel waren ze nog steeds míjn handen, mijn vingers, mijn huid. Maar mijn groene schubben waren weg. In plaats daarvan liep er nu een dunne rand van goudkleurige schubben over mijn jukbeenderen, als een sierlijk maar onmiskenbaar teken. Mijn hele armen waren bedekt met diezelfde goudkleurige platen, als natuurlijke pantsering die in het licht fonkelde.
Mijn ogen waren niet meer die van een mens. Zwart, met een pupil van vloeibaar goud, zoals in mijn drankengedaante levend, brandend, onuitwisbaar.
En mijn haar… het was donkerder dan ik me herinnerde, diepbruin bijna zwart, alsof een vleug schaduw zich erin had genesteld.
“Zo,” bromde de zwarte draak, een ondertoon van goedkeuring in zijn stem.
“Nu ben je beide. ”
×