Fragment
Hierop wenden de twee dames zich naar de jonge Maria de Bucquoy die hun blik met een verontschuldigend gebaar beantwoordt, waarna haar moeder voortgaat:
“Na het overlijden van mijn goede David - que Dieu ait pitié de son âme - trouwde ik met Adriaen Anthonisz., officier in het Bataafse garnizoen, maar ook hij overleed binnen twee jaar. Mijn volgende huwelijk met de koopman Jacob Sweers duurde wel iets langer, vijf volle jaren, maar ook hij stierf aan koortsen toen hij voor de koophandel op Tonquin was. Daarna trouwde ik in Batavia mon Zacharias, een goede vriend van mijn laatste echtgenoot. Toch was ik daarna ook enkele jaren alleen in Batavia omdat mijn Zacharias benoemd werd tot opperhoofd van de handelspost Deshima, waar vrouwen door de Japannezen niet werden toegelaten. De eerste keer dat Zacharias in Japan was, was ik zelfs bijna opnieuw verweduwd vanwege een enorme stadsbrand in Edo , waaruit hij ternauwernood het vege lijf wist te redden, toen hij daar verbleef om zijn jaarlijks tribuut te brengen aan hun ‘keizer’, de shogun. Daarna was hij weer een jaar thuis om het jaar daarop opnieuw voor een jaar naar Japan te gaan”
Maria de la Queillerie: “Quelle coïncidence! Ook mon Jean heeft enkele jaren op Deshima gediend, toen nog als chirurgijn onder de vermaarde Jan van Elseracq! Wat jammer dat zij elkaar toen niet ontmoet hebben!”
Maria de Bucquoy valt nu in de rede: “Excusez-moi, madame, een ontmoeting in Japan zou ook niet mogelijk zijn geweest want mijn stiefvader is opperhoofd van Deshima geworden toen U en uw echtgenoot al hier aan de Kaap waren!” waarop Maria de la Queillerie antwoordt “Ja dat is waar, c'était de ma bêtise, maar het zou niettemin aangenaam zijn geweest als onze mannen elkaar reeds gekend hadden, nietwaar? Dan hadden wij waarschijnlijk ook reeds eerder het genoegen gehad met elkaar kennis te hebben gemaakt en zouden wij toen reeds Les Trois Maria’s zijn geweest, haha!” En om deze gevatte plaisanterie moeten ook moeder en dochter wel lachen.
×