Fragment
Hoe blij was ik op mijn achttiende bij mijn ouders weg te kunnen. Met hen onder één dak verkeren werd hoe langer hoe meer een beproeving.
Mijn ouders: zie ze op de zondagochtend stevig gearmd naar de kerk lopen, krachtig in het rond kijkend, goed zichtbaar voor de buurtgenoten achter hun ramen. Mijn vader met zijn vooruitgestoken borst en zijn vrije hand aan zijn colbertje, mijn moeder met haar handtasje dat ze net iets te hoog ophoudt.
‘Goudhaantje’ en ‘Scharrelkip’ noemde ik hen inwendig.
Als een driftige kip die om zich heen pikt, scharrelde mijn moeder de ganse dag door het huis: stofzuigend, zwabberend, poetsend, dweilend, op en neer naar de keuken voor het suddervlees, in de weer met het wasgoed, plus allerlei andere, door een normaal mens niet te bevatten, zogenaamd huishoudelijke taken. Was het daar maar bij gebleven. Nee, mijn moeder bemoeide zich constant met alles wat ik deed of zou moeten doen. Wat voor kleren ik aantrok, wat ik boven op mijn slaapkamer ging doen, hoe het met mijn huiswerk stond, of ik niet eens naar de kapper moest. Mijn moeder was niet alleen een scharrelkip, ze was een broedse scharrelkip. Onophoudelijk moest ik uitgebroed worden. Viel er niets meer te broeden of te scharrelen, viel er in haar bijzijn een stilte, dan stelde ze een beschamend onnozele vraag, waarop ik vaak dan maar een zo dom mogelijk antwoord gaf. Kon ze tenminste even lekker mopperen.
Vader Goudhaan zag er altijd patent uit. Zijn jasjes zaten hem als gegoten, zijn aftershave geurde in elk vertrek en als hij stond of liep zette hij zijn glimmende borst op. Vader Goudhaan kende geen ellende. Als schoolkind was hij goed door de oorlog gekomen, op zijn werk verliep alles op rolletjes en thuis kon hij als enige man in het gezin vanzelfsprekend alleen maar de baas zijn. Om zijn superioriteit te onderstrepen bediende vader Goudhaan zich van enkele trucs. Hij stelde óf idiote vragen waarop je geen afdoende antwoord kon geven, óf hij vroeg juist naar de bekende weg. (‘Zeg, weet jij nou hé, hoe het nou zo komt hé, dat die man nou zo klein is hè?’ ‒ Quasiachteloos: ‘Moet je niet weer eens naar de kapper?’ terwijl je net geweest was.) Raakte je daardoor geïrriteerd, dan had vader Goudhaan zijn zin en zei dat je je niet zo moest aanstellen. Een andere liefhebberij van hem was om voorovergebogen met zijn kont zo ver mogelijk naar achteren aan tafel de krant te staan lezen, zodat je met moeite om hem heen kon. Ik had geleerd om me niet meer door mijn vader uit de tent te laten lokken, maar mijn moeder en mijn zus Netty trapten er elke keer opnieuw in. Zo leefden wij: een haan die voortdurend victorie moest kraaien, een kip die nooit genoeg van haar eieren kreeg en een pubermeisje dat haar eigen wereld nog moest leren ontdekken. Ik was weg in elk geval.
×