Fragment
Er was eens een visser, Jiang geheten, die dagelijks met zijn aalscholvers de rivier op ging om te vissen. Voor dag en dauw nam hij zijn vogels mee en boomde zijn bamboevlot met olielamp het water op om vlak voor zonsopgang op de juiste plek aan te komen. Het licht lokte de vissen en de aalscholvers deden de rest.
De visser had een aalscholver die hij van jongs af aan had opgevoed en er was een voelbare band tussen hen ontstaan. Heel soms meende Jiang zich in te beelden dat het dier tegen hem sprak, of zijn praten beantwoordde. Daarom gaf hij hem een naam, Línghún, wat Ziel betekent, want hij geloofde dat de vogel bezield was.
De andere aalscholvers kwetterden alleen maar, maar Línghún ging bedaard op zijn beugel zitten en wisselde blikken van verstandhouding met hem. De visser praatte daarom zachtjes tegen de vogel in de eenzame uren van de nacht, zodat de vogel een vertrouweling werd.
De vis kwam massaal op het lamplicht af, Jiang stootte de vogels aan en de aalscholvers doken enthousiast het water in en haalden vis naar boven. Kleine vissen konden ze direct verslinden, maar de grotere vissen bleven in hun keel steken, want die was met een strop kleiner gemaakt. Jiang haalde de vogel dan binnen, haalde de spartelende vis uit zijn keel en mikte de vangst in de mand.
De vangst was goed en na een aantal duiken waren ook de vogels verzadigd. Ze maakten het zich gemakkelijk op hun beugels en stopten de kop in de veren. Behalve Línghún. De aalscholver zat onrustig op zijn beugel en staarde naar het wateroppervlak waaronder je de vissen in het lamplicht kon zien zwemmen.
Jiang werd ongerust: “Wat is er, Línghún?”
“Mijn hart is bezwaard,” kraste de vogel.
×