Fragment
Bep Fuchs (93):
‘We vertrokken met de Oranje vanuit Amsterdam, een reis van drie weken. Kort daarvoor waren we op het stadhuis in Haarlem getrouwd. Want Joh. Enschedé vond dat wie vaste verkering had, eerst moest trouwen voordat je werd uitgezonden.’ Lachend: ‘Het was dus eigenlijk een moetje. Mijn man Fred werd bij de drukkerij in Jakarta chef van de diepdruk-etserij.
‘De huizen voor de gedetacheerden waren als een carré om de fabriek gebouwd. We hadden een mooi huis, gemeubileerd met rotan meubelen, en voorzien van een koelkast. Daar gingen ’s morgens ijsstaven in, die aan het eind van de dag waren gesmolten tot een bruine smurrie. Je had er ook personeel: een kokkie, een babu en een tuinman.’
‘In het begin had mijn man nog geen rijbewijs. Om dat te krijgen, moest je je melden bij het politiebureau. Daar hadden ze een klein circuit, waar je wat lessen kreeg. Nadat hij twee rondjes had gereden, kreeg hij zijn rijbewijs.’
‘Het leven in Indonesië was wel een hele verandering. Je moest je echt aanpassen. Maar wat eten betreft, hield ik vast aan Nederlandse kost. De kokkie liet ik altijd aardappelen, groenten en vlees halen op de markt. Op een keer vroegen mensen die bij ons op bezoek waren of ik aan de kokkie wilde vragen om een rijsttafel te maken. Ze heeft dat gedaan, en toen waren we verkocht, we hebben het nadien nog vaak gegeten. Ik weet nog dat een van de andere gedetacheerden, Hans Schuurman, gek was op satésaus. Hij heeft dat zo vaak gegeten dat hij het op een gegeven moment niet meer kon zien.’
Behalve met oliebollen koesterden de gedetacheerden van Joh. Enschedé en Zonen in Indonesië het Holland-gevoel ook op andere manieren. Zo werd er elk jaar Sinterklaas gevierd. Het vaatje Hollandse Nieuwe dat ze elk jaar kregen, viel uiteraard zeer in de smaak. Net als het kerstpakket − kaas, chocoladeflikken, sigaretten (!) en speculaas − dat de directie in Haarlem elk jaar naar de drukkerij in Jakarta stuurde.
Uitstapjes naar Jakarta werden regelmatig gemaakt om te winkelen of om een enkele keer naar de bioscoop te gaan. Gedetacheerden mochten eens in de vier dagen gebruik maken van een van de auto’s van het bedrijf. Verder konden ze ’s middags en ’s avonds met een autobus naar de stad. ’s Morgens was er geen bus en was men aangewezen op de fiets. Elke dag kwam er een kruidenier langs. De winkels lagen op 20 minuten lopen. Op dinsdagmorgen was er een bus van het bedrijf die de vrouwen naar de stad bracht om inkopen te doen.
Gedetacheerden konden met hun gezin ook jaarlijks met vakantie naar een bungalowpark, gelegen op 2000 meter hoogte langs de hoofdweg Jakarta-Bandung. Een steile weg. Van vangrails had nog niemand gehoord.
×