€ 22,00

ePUB ebook

niet beschikbaar

PDF ebook

niet beschikbaar

Het Rose Suikerei

ROMAN sensitive fact fiction

Eldert Dekker • Boek • paperback

  • Samenvatting
    Het Rose Suikerei is een psychologische belevingsroman waarin het feitelijke precies is beschreven en werkelijk zo gebeurd. Het is echter ingebed in de gevoelsmatige beleving van de hoofdpersoon.
    De meest dramatische gebeurtenissen zijn in de roman op de eerste plaats gesteld. Hoe het tot die gebeurtenissen is kunnen komen valt af te leiden uit het verhaal. De hoofdpersoon Rara kijkt achterom naar, een aspect van, zijn leven en dit is daarmee meteen een verwerkingsroman.

    Een uitgebreid leesfragment is hiernaast weergegeven.

    Op de achterkant van het boek:

    In dit boek kijk ik vol verbazing om mij heen tot in de sterren. Verbijsterd volg ik nog eens de weg die ik over de aarde bewandeld heb. Het wordt een gevoelig en eerlijk weerzien met mezeIf. Een ruimtereis door het universum van mijn ziel. Soms sta ik even stil. En gooi wat van mijn zorgvuldig meegesleepte zaken aan de kant. Een paar bewaar ik, met een equivalent in mijn hart. Maar met een glimlach. Want nu ik omkijk zweef ik lachend over en door het raadsel dat leven heet. Misschien, lieve lezer en lezeres, ontmoet u mij op onze reis, en zweeft u even met mij mee.
    Rara
    Groetjes van Tingeling

    De hoofdpersoon in dit boek kijkt achterom, springt in zichzelf, ruimt onopgeruimde zaken op, bevrijdt zich al schrijvende, en duikt gelouterd weer op.
    Eldert
  • Productinformatie
    Binding : Paperback
    Distributievorm : Boek (print, druk)
    Formaat : 155mm x 235mm
    Aantal pagina's : 495
    Uitgeverij : Suikerei
    ISBN : 9789082969900
    Datum publicatie : 11-2018
  • Inhoudsopgave
    1 Het Huis aan het Grachtje
    vijf hoofdstukken

    2 Wie Ben Ik
    zes hoofdstukken

    3 Het stille Meertje
    drie hoofdstukken

    4 Achter de Groene Boomkruinen
    acht en twintig hoofdstukken

    5 Het Vergankelijke Paradijs
    vijf hoofdstukken

    6 De Krijger op het Paard
    acht hoofdstukken

    7 Het Zwarte Goud
    elf hoofdstukken

    8 De Trillende Aarde
    vijftien hoofdstukken
  • Reviews (0 uit 0 reviews)

€ 22,00

niet beschikbaar

niet beschikbaar

3-5 werkdagen
Veilig betalen Logo
14 dagen bedenktermijn
Delen 

Fragment

1
Het Huis aan het Grachtje

1

Ik dring in de zwarte nacht zo ver ik kan. Tot waar de zwartste spikkeling zich verder verdicht. Als een wand op mij toekomt, zich verwijdert, oplost, opnieuw mij nadert. Mijn donkere ogen kijken ernaar uit een schedel die is als een holle kogel van graniet. Of misschien massief ermee gevuld. En voel ik het niet.
Ineens lig langs de rand van een afgrond. Naast mijn lichaam schiet de aarde loodrecht omlaag naar een ijzingwekkende diepte. De echoënde stilte ervan staat al om mij heen en ik merkte het niet. Het is geen bange fantasie, een angstaanjagende nachtmerrie waar ik uit wakker schrik. Die dodelijke scherpe rand, die rand van waanzin waar mijn lichaam krampachtig balancerend houvast op zoekt is echter dan de klinkers van de straat waar ik overdag op uitkijk door het glas van het kamerraam, zo werkelijk als het donkere water in het grachtje waar ik in kijk over de struiken duinroos heen, de door huishoudelijk werk hobbelige rand van de keukentafel.
De aardopening waarboven ik angstvallig mijn armen tegen mijn zij druk alsof er op het oppervlak geen plaats meer is voor mij schuift zich onder mijn lichaam. Of misschien beweeg ik er zelf verder naar toe. Moet ik me in mijn kramp even strekken, een been of arm een stukje verplaatsen. De duizelingwekkende diepte er in kan ik niet zien. Het is er grondeloos donker. Zijdelings glij ik over de rand. Mijn snelheid neemt razendsnel toe en ik schiet omlaag in het bodemloze zwarte niets. Een dolksteek van pijn en angst schokt in mijn lichaam. Mijn romp slaat in een reflex omhoog. Mijn handen klampen om de rand van mijn bed.
Naast mij slaapt dodelijk vermoeid Tingeling. Al zie ik haar in het ondoordringbare donker niet. Ik durf mijn hand niet naar haar uit te strekken. Ik mag ook niet gaan liggen. Ik moet verder omhoog. Vinger voor vinger laat ik de rand los en draai me beweging voor beweging van een arm, een hand, een voet, het bed op in mijn kruiphouding. In mijn ijskoude angst zet ik mijn handen en voeten wijd uit elkaar op de zachte deken. Ik zoek steun voor mijn lichaam als een hond op het scheepsdek op de ruwe zee. Voor mij zoeken mijn schrikogen in de duisternis. Alsof daar kwaadwillige krachten uit op kunnen duiken.
Langzaam kom ik tot rust. Ik krijg weer een beetje vertrouwen in de draagkracht van de stukjes oppervlak onder mijn handen, knieën en voeten. Ik durf me nog niet te bewegen. Een ledemaat te verplaatsen, een voet, een hand. Ik durf het bed niet uit te klimmen. Ik durf niet te gaan slapen. De verschrikking in die diepte nog een keer in. Ik weet dat dat funest is.
Dan kan ik langzaamaan mijn van vermoeidheid trillende spieren wat ruimte geven. Even later ga ik voorzichtig gewoon zitten. Ik hoef nu Tingeling niet meer aan haar schouder wakker te schudden. Ik krijg voldoende zelfvertrouwen om half steunend op een elleboog een beetje te gaan liggen. Daarna kan ik me op mijn rug draaien met wijdopen klaarwakkere ogen. Klaar om overeind rechtop in mijn bed te schrikken. Ik moet toen ingeslapen zijn.
Terwijl die verschrikkelijke herinnering vervaagd dwalen mijn ogen vanaf de dekenkist waarop ik ben gaan zitten langs de twee smalle vensters, het schuine dak dat zwaar en verstikkend naar me toe komt, de scherpe hoek midden in de kamer die als een witte schimmerrots naast me oprijst naar de nok. Als steigers in een slordige nieuwbouwkamer staan om me heen tussen de dozen, stapels boeken en talloze losse voorwerpen de smalle grenenhouten wandrekken waarmee ik na mijn verhuizing een beetje orde in mijn leven wil brengen.
Die boeken, tijdschriften, documenten, brieven, die voorwerpen die ogenschijnlijk zonder waarde zijn, verloren hangen in een hoek, tegen een plint zijn geschoven, moet ik door. Daarom heb ik ze meegesleept van het ene huis naar het andere, zorgvuldig verpakt, bewaakt tijdens de overtocht.
Een tedere herinnering die ik meesleepte is verloren gegaan in die verblekende woestijn die de tijd is. Soms heimelijk door krachten waar ik geen greep op had. Een boek of ding verdween uit de boekenkast, van een richel, de Baghavad Gita, een heidens beeldje. Soms door ongeluk. Het oude verfomfaaide kartonnen doosje met op de bodem zorgvuldig geplaatst als een dierbaar kleinood de tere driedimensionale voorstelling van klei die ik in een paar weken maak op mijn gevoel, en waarvan ik nu ik er over nadenk, eindelijk begrijp dat ik maak wat ik zo vaak geschilderd heb, mezelf doorzichtig en kleurrijk als een blik door de Hubble-telescoop in het universum, mezelf in de diepte van mijn ziel. De nuchtere tekening die er opgerold naast staat in het doosje in snelle zwarte streken en mosgroene vlekken die de realiteit voorstelt en die ik trots op wil gaan hangen bij me aan de muur. Maar per ongeluk wordt dat aftandse doosje dat ik behandel als een safe met kostbaarheden afgevoerd naar de vuilstort door mijn kinderen die mij helpen.
Ik kom overeind en kijk voor me uit. Dan doe ik de paar stappen naar het rek voor me. Met één hand duw ik het rek omhoog en met de andere trek ik het dwars in de kamer naast het smalle venster. Ik neem de plint in mijn handen en leg hem onder langs het korrelige pleister van de muur. De dunne strook zwabbert vreemd in mijn handen. Het voelt kartonachtig aan, breekbaar. Glanzend papier dat er op is geplakt met licht, bijna wit berkenmotief geeft het tere latje een aanschijn van fraai hout. Met de achterrand druk ik het tegen de pleister en met de muizen van mijn handen leun ik erop. Met het volle gewicht van mijn lichaam op mijn armen plak ik het op het bijna rode grenenhoutmotief van het vinyl.
Ik schroef de onderste planken los van het rek en maak ze in de gaatjes erboven weer vast. Tingeling kan er dan gemakkelijk onder als ze door de kamers gaat met de wisser.
Als ze komt aangesleept met dat rek uit het achterkamertje. Als ze bij me de kamer inloopt kijk ik in zwarte strepen waarin boosaardig licht flonkert. Haar blik schiet over mijn schouder de ruimte in achter mij.
Haar schrille stem splijt de lucht en de stilte in de kamer: “Ik wil er niets meer van horen! Nu gaat-ie eruit! Ik heb me er nou genoeg kapot aan geërgerd!”
Haar handen klieven de lucht als kapmessen. Ze verdwijnt door het gangetje. Achterover hangend aan het smalle einde van het heen en weer slaande rek komt ze er schuifelend en kreunend mee aanslepen. Gemelijk laat ik haar haar gang gaan. Beduusd zitten we daarna bij elkaar met een beker koffie voor ons. Ik heb slecht geslapen vannacht, zegt ze. Ik heb maar liggen malen over stofnesten onder de kasten en bedden en harig en kleverig krieuwelend ongedierte dat zich overal in donkere kieren en gaten genesteld heeft. Natrillend van slaapgebrek en dat woedende gesleep daarna staart ze dan naar mij toegebogen weer dwars door me heen.
Ik loop naar beneden. Meteen gaat de telefoon. Tingeling neemt op. Fira. Of ze een glas wijn komt drinken. Op de nieuwe steiger achter het huis die Dono als een kraag van roodbruin hout langs de verleidelijke hals van het smalle grachtje heeft gelegd. Star, mechanisch, draait ze zich naar mij.
“Jij mag ook meekomen,” zegt ze nadrukkelijk met grote koude ogen.
Een klant die je op sluitingstijd vraagt of je 'm nog ergens mee van dienst kan zijn. Wantrouwig knik ik traag.
Met een stoel die ik bij de rug uit de kamer meezeul tegen mijn heup schuifel ik langs de trage klots van het donkere water de driehoek in onder de schutting waar een glans op staat of er zonet nog een keer olie op is gezet. Eronder hangt boven mijn hoofd een wilde krans van rode, gele en blauwe bloemblaadjes als vurige vlammetjes.
“Wat is dat,” zeg ik.
Vlijtige liesjes. Over de duistere uithoek van de waterwereld die een paar huizen verderop tussen de damwanden het grachtje in komt zeilen ga ik een beetje weg zitten kijken.
Dono's vader komt er bij zitten naast de zwarte ijzeren beschoeiing van met heiklappen in elkaar geschoven u-balken waarvan hij op de rand een flesje bier zet. Dan draait hij zijn harde kop naar ons. Met een zuinige mond en stekende oogjes die tegelijk warm en blij zijn lacht hij. Uit zijn hoek onder de klimop gaat hij ook mijmerend over het water in de verte zitten staren. Dono komt met een flesje bier voor me aan en ik laat het naast me op de scherpe ribbels van de steigerplanken zakken. Ertussen kijk ik in donkere spleten. Ik kan niet zien wat er onder zit. Om ons heen hangt een zware zoetige geur. Ontbinding van waterplanten en vis met gronderige prikkelende damp van carbolineum.
Dono en zijn vader gooien een hengel uit en voor mij willen zij er ook een in het water laten zakken.
“Dat hoeft niet,” zeg ik, “Ik vind het wel goed zo.”
Dan ligt er een in. Een stukje van die van hun vandaan.
Verstolen kruipt het donker uit gaten, hoeken en spleten op ons toe. Met opengesperde harde ogen buig ik me naar het water. Ik rol mijn oogballen in het rond en knipper. Het is alsof het dobbertje reageert op mijn fantasie. Werkelijk onder de oppervlakte verdwijnt.
“Kijk maar eens of de worm er nog aanzit,” zegt Dono ineens.
Zijn vader knikt met hem mee. Ze weten precies van elkaar wat ze denken. Ik haal op. Het is of ik een reep van een in het laatste zonlicht glanzend blauw-groen golfje uit het water omhoog trek. Een paling die stil uit het water omhoog glijdt.
Dono vangt hem op. Als een ontkurking van een fles wijn draait hij het haakje eruit. Als een stuk van een ouwe tochtstrip hangt het beestje in zijn hand. Als hij zijn hand draait trekt het zieltogend krom.
“Daar kan ik niet veel mee,” zegt hij donker.
Hij kijkt om naar Kitty die een beetje weg zit te doezelen op de bovenste tree naar de steiger. Met een zwaaitje van zijn arm gooit hij hem dan aan de kant terug.
De wind steekt op. Als warme wol strijkt het over mijn huid. Een blinkende rimpeling op het blauwzwarte water als er een vlaag overheen schiet.
Langs de verticale lijnen van de schuttingplanken zweeft een flonkerwaas van rood, blauw en wit van oplichtende bloemblaadjes als ik met Tingeling in het donker terug loop.

2

Die ochtend die er op volgt sta ik vroeg op. Ik weet dat ik naar de dokter moet. Rustig ontbijt ik. Ik moet Tingeling verteld hebben van dat verschrikkelijke razendsnelle wegglijden in een ijzingwekkende afgrond terwijl zij halfbewusteloos zo diep naast mij slaapt. Ze moet beseft hebben dat dat echt is. Neemt beheerst in een bijna bovennatuurlijke kalmte het huishouden in haar handen alsof dagelijkse beslommeringen onbelangrijke details zijn, zoals wanneer een auto door de muur het huis binnen gereden is.
Rustig fiets ik de stad door naar de antroposofische artsenpraktijk. Ik hoef nergens over na te denken. Ik weet dat ik daarheen moet.
Ik ben de laatste patiënt. Ik zie als ik binnengeroepen word alleen een witte jas in verticale losse plooien waarboven een gebrild gelaat staat. Een gezichtsvorm, trekken, lijnen door het gelaat zijn er niet. Ik druk een uitgestoken hand. Het kale witte kamertje waar ik ingelopen ben staat als een koude schreeuw om mij heen. De arts zegt iets. Ik versta hem niet. Of misschien ben ik het vergeten. Met een handbeweging laat hij mij plaats nemen in de meedogenloze stilte die voor de witte pleisterwand staat boven het skaien leverkleurig bankje dat alles al weet, een arm om mij heen slaat, dat het mijn eindstation is.
“Zegt u het maar eens,” zegt de arts.
Ik breng geen woord uit. Ik heb mijn hoofd teuggetrokken tussen mijn schouderbladen die ik als schilden over mij opgetrokken heb. Mijn blik heb ik op de geribbelde beige vloerbedekking gericht. Als ik de vijandige beklemming met een haperend woord tracht te doorbreken scheurt het vlies dat steeds dunner is geworden en waarachter de emoties van jaren onhoudbaar opeen gedreven zijn.
Met verschrikkelijke snikken en uithalen barst in een vloed van tranen de woede en wrok, en de wanhoop en liefde door de dijk van angst die ik opgeworpen heb. Ik kan de gaten die geslagen zijn niet dichten. Schokkend en gierend ontdoen mijn lichaam en geest zich van die last die ondraaglijk is geworden. Door mijn tranenvloed heen grabbelt mijn hand naar de papieren zakdoekjes die de hand van de arts uit een doosje blijft rukken en mij voorhouden.
“Dat gaat wel even duren,” hoor ik de mond in het bleke bebrilde gelaat zijn diagnose stellen.
Tien, vijftien minuten ga ik maar door. Dan loodst de dokter in zijn witte jas mijn wankelende lichaam door de uitgang de kille aarde weer op. In de cementen schemergang struikel ik als door een waterval wadend verder. Met weerzin open ik snokkend, tastend en met schokkende snikken het slot van mijn fiets. Mijn tranen laat ik maar vloeien. Midden over het fietspad rij ik op voldoende afstand van de trottoirbanden afzijdig van de rest van het verkeer naar huis. Alles houdt zich in voor mij. Het verkeer suist minder, de zon straalt zachter, de straten en huizen dempen hun kleuren.
Nog dagen trek ik mij vanbinnen samen in een kramp als de weke spons waarin ik veranderd ben en vloeit een golf van tranenwater uit mijn ogen. Ik kan me niet inhouden. En ik wil niet, ik ben een sluiswachter in staking.
Nu ik de trap op ben gelopen en op de dekenkist gaan zitten zie ik het allemaal weer als ruimtelijke lichtbeelden voor mij. De bijna geluidloze grijze tocht naar de huisarts. Het gewichtloze zonlicht waardoor het verkeersgeluid trilt als ik wankel en wazig door mijn tranen heen de weg zoekend terugrij. De jongen, zo zag ik mij toen nog, op het bankje, die in een explosie van tranen uitbarst met een nuchtere arts voor zijn voeten die verbouwereerd op hem neer kijkt. Maar hoe het is als ik weer in de kamer sta zie ik alleen maar in een wazig licht alsof ik in een overbelichte foto staar. Tingeling is aanwezig. Maar meer alsof haar geest de ruimte vult. Het is alsof ik ernaar kijk door stromend regenwater dat langs de ruiten spoelt.
Steeds opnieuw stromen daarna de tranen langs mijn gezicht. Het is zomer, en zonnig en warm. Ik moet lange wandelingen maken. Misschien omdat de dingen verschuiven in mij. Om te maken dat ze van plaats kunnen wisselen. Of het huis te klein is. De wanhopige resten van een grote spanning vrije ruimte nodig hebben om te ontsnappen. Maar alles blijft licht, nieuw. De angstige beklemming die in alles is gaan zitten en ieder voorwerp, alle kleur, de lucht om mij heen mij aan laat schreeuwen, is verdwenen. Het is het enige dat ik doen kan. Langs de straten wandelen met tranen in mijn ogen.
Ik ga staan. Voor me uit kijk ik naar het lege rek van dunne houten planken dat als een grijnzend geraamte voor mij staat. Dan wend ik mij naar de boeken die ik door de hele kamer in scheve stapeltjes over de grond heb verspreid. Ik neem er steeds één van in mijn handen. Ik kijk of ik die boven mijn bed in de slaapkamer wil bewaren op het rek dat ik achter mijn hoofdeinde met nauwkeurig uitgemeten plankhoogten heb geïnstalleerd.
Reintje de Vos sla ik open terwijl ik weg kijk in de lucht om te zien welke strofen zich voor mij zullen openbaren. Willekeurig lees ik een paar woorden. Uit een diep oppervlak onder mijn maag stijgt een roerende mist op van twintig jaar terug. Een vreemde sfeer neemt mij in zich op. Een grauwe wolk van verontrustende beelden en emoties vormt zich om mij heen. Ik lees nog alleen hier en daar een titel. Door mijn lichaam schokken vergeelde beelden naar mijn bewustzijn. Snuffelen in papieren, mappen, of boeken durf ik niet meer. Het donkergrijze stof van het verleden zou me te dicht omgeven. Mij verstikken in verdriet en vreugde. In woede.
Met een wazige gevoelloosheid alsof ik door uit elkaar getrokken glaswol loop daal ik de trap af om een beker koffie te zetten. Tegelijk stommelt Tingeling de deur openstotend door het halletje naar binnen met boodschappen. In een hand klemt ze een in een scheve kreukel getrokken witte envelop. Wild scheurt ze de brief eruit.
Hij blijkt aan mij gericht. Mijn reisdocument dat binnenkort verloopt. Maar het is een eufemisme voor identiteitskaart. In een machteloze verblinding in fel schijnwerperlicht zie ik mij tegen een witte muur drukken. Alsof ik zelf in twee dimensies zou willen verschrompelen tot foto. Mijn bril is van mijn gezicht genomen. Mijn haar is strak naar achter getrokken en laten mijn oren vrij. Ik lach niet. Fotocamera's nemen mij onder schot. Ik kan over alle grenzen, maar mijn vrijheid is mijn gevangenis.
Ik grijp een glanzend zilver-bruin hard pak koffie uit een tas en een oranje rol beschuit en berg ze niet in de kast maar leg ze op het aluminium aanrecht dat op de verkleinde uitgave lijkt van de glimmende met bobbeltjes bestrooide bodemplaat van een machinekamer, want Tingeling wil ze altijd op volgorde van houdbaarheidsdatum.
“Je bent weer lekker gezellig. Je zegt weer helemaal niks,” zegt ze ineens.
Ik loop nog half in die vreemde atmosfeer rond van die boeken en papieren met die asgrauwe stofwolk om me heen. Ik voel mijn spieren verstrakken en ontspannen als ik me verzet en wat toeschietelijker word.
In het weer dat omslaat wandel ik met Tingeling over de dijk naar het hoofd. Gisteren zat ik met Tingeling op de grijze mozaïekspiegel van basalt van de havenpier, die verraderlijke onderwateruitloper van het menselijk vernuft. Achter het lange snoer van donkere brokken graniet dat hoekig half op het water onder de dijk ligt. Hol intiem geklets in spelonkjes, alsof het persoonlijk bedoeld is. Een handvol bootjes op de blauwe trage golving voor ons. Aan de masten de zeilen ontspannen. Een vol opgetuigde driemaster die statig door het water aanglijdt. De geelvergrijsde zeilvlakken, de donkere boorden, de stagen en touwen. Zonder golfslag. Het lijkt vanzelf te gaan. Of voor ons langs honderd jaar geleden voortschuift. Diep eronder blinkend en blauwig de kleine gele zon.
Als we teruglopen staat er schuim op de golfkruinen. Het valt naar voor, maar doordat de golven het inhalen rolt het voort op de flank. Erboven staat grauw en grijs de jachtige buiteling van aan stukken gescheurde wolken. De wind is nog warm, zwoel. Vannacht gaat er een ijskou over die ongenaakbare dijk staan. Regen als ijssplinters. Herfststorm.
Uit die woelende ruimte wil ik over de schuinte van de dijk langs het tegelpad de straten inlopen. Tussen de stille koele huizen door. En ineens ben ik deel van die rumoerige turbulentie. Doorzichtig en gewichtloos als gaas ben ik ineens. Alsof mijn geest zich bevrijd heeft. Zich in de krioelende weidsheid verstrooid. Ik denk nergens meer aan. Ben licht en donker, hemel en wolken, schuim en golven. Niets en alles. Een kind.
Ik loop weer naar boven en ga de voorkamer op. Vreemd scheef staat het houten rek van dunne latten midden in de kamer. Alsof de geesten uit het verleden die vanmorgen in de kamer voelbaar zijn geworden met de meubels zijn gaan schuiven. Met een huivering sta ik ineens in de badkamer, bevochtig het gele huishouddoekje en ga er gedreven mee langs de staanders, planken en gleuven ertussen tot ik voel dat het genoeg is.
Daarna loop ik naar het rek tegen de achterwand. Onder de vurenhouten planken door grijp ik met beide handen de achterste latten beet. Wijdbeens buig ik mijn knieën en rug en druk beheerst zo krachtig mogelijk met trillende spieren omhoog zodat dat hele houten geraamte onder de schuinte van het dak naar voren komt. Maar het is er te smal. Langzaam laat ik mijn bevende spieren ontspannen, zakt het raamwerk naar zijn oude positie. Met de elektrische schroevendraaier draai ik me door een opening naar de achterkant en haal de schroeven uit de staanders.
Met de staanders en planken in losse bundels in mijn armen draai ik voorzichtig de trap af en zet ze in het halletje tegen het tussenmuurtje. Met opgetrokken knieën zit Tingeling op de bank te lezen. Donker kijkt ze me na.
“Zet ze maar in het halletje. Ik weet ook niet wanneer ze ’t komen halen,” zegt ze afkerig, “Ik moet natuurlijk wel kunnen dweilen,“ vervolgt ze half binnensmonds, “Die troep staat me daar wel in de weg.”
Maar ik loop alweer naar boven.
Dat brok in mijn keel alsof mij gif toegediend is. Dat mijn strottenhoofd ongevoelig maakt, hard als steen. Dat mijn bewegen verstart. Mij moeizaam als door taai gesmolten glas laat voortgaan. De buurjongen en zijn moeder die ik alleen maar één zo’n simpel slaapkamerrekje kan voorschotelen in plaats van die oersterke magazijnrekken die zij in gedachten voor zich zien. Ik wil mij eruit losrukken maar ik zit gevangen in kleverige draden. Tingeling die naar buiten rent als ze langslopen. Die stellage van oerdegelijke magazijnrekken boven? Graag, zeggen zij. Maar ze weet niet dat ik alleen maar dat breekbare rekje van wankele staanders en dunne latten bedoel. Maar het is natuurlijk ook omdat ik zo hard moet werken om dat idiote rek weg te halen en ik krampachtig vecht om alles dicht om mij heen te houden terwijl het gewoon overbodig is en in de weg staat. Alsof ik bang ben aan de dorre wind mijzelf mee te geven.
Plotseling zie ik die openbaring voor me die mijn ziel op het papier prijsgeeft, die mijn hand over het papier stuurt zonder dat ik er aan te pas kan komen. De eindeloze oceaan waarin ik op mijn rug lig en volmaakt tevreden tot het eind van de tijd rondzwem. Dat eilandje met een angstaanjagend silhouet waarbij ik niet in doodsangst op de oever hoef te klauteren. Die wijde wereld daar opzij die in mijn gedachten zonder dat ik het zelf weet een chaotische jungle is waarin iedere stap in een witte leegte kan eindigen, waar ik niet radeloos doorheen hoef te gaan trekken. Een jaar daarna zie ik wat die betekent. Waar wacht je op. Klauter je weg uit je blinde gelukzaligheid. ×
SERVICE
Contact
 
Vragen