Fragment
Inmiddels waren we in de buurt van Leh gekomen. Maar door welke vreemde straten reden we nu? Waar gingen we in hemelsnaam naar toe? Dit leek helemaal niet op de stad Leh, waar we eerder waren. Zou de chauffeur vergeten zijn ons af te zetten en inmiddels een andere weg aan het vervolgen zijn?
Ik begon ongerust te worden. Deze wijk kende ik helemaal niet. Ik vroeg de chauffeur waar hij ons zou afzetten. Hij mompelde wat als antwoord en reed door. Plotseling stopte hij en zei: ‘We zijn er, jullie moeten er nu uit.’
Margriet en ik stapten uit en ik laadde mijn zware rugzak met tent op mijn rug. Toen zag ik dat de chauffeurs van de andere vrachtwagens ook waren uitgestapt en in een grote kring om ons heen stonden. Dat zag er dreigend uit. Wat wilden ze? De chauffeur zei dat we vijftig dollar moesten betalen.
Ik schrok van dit belachelijke bedrag voor een ritje van nog geen half uur in een afgelegen gebied van India. Het verontruste mij dat we door acht mannen waren omgeven. Ik keek naar Margriet en zei haar dat ik dat niet ging betalen.
Ze knikte en terwijl ze één van de mannen voorbij liep, zei ze: ‘Ik loop vast weg, dan hoef je mij niet te beschermen.’ Een verstandig besluit van haar!
In deze noodsituatie zou ik natuurlijk het geld kunnen geven, maar ik wilde proberen eronderuit te komen. Ik deed een poging om langs één van de chauffeurs te lopen. Maar die man hield mij tegen door aan mijn schouder te trekken. Toen liep ik de andere kant op. Weer trok iemand aan mijn schouder. Mijn hart bonkte in mijn keel.
‘Rotkerels, donder op!’ riep ik in het Nederlands, mensen moeten niet aan mij zitten. Wat moet ik doen? Ik voelde mij niet op mijn gemak met een zware rugzak op mijn rug. Gedachten vlogen door mijn hoofd, vechten of vluchten? Bij een vechtpartij tegen acht man had ik geen enkele kans. Moest ik toegeven aan hun eis, om een verdere confrontatie te vermijden?
×