Fragment
Hij stapte naar de andere kant van het kasteel, helemaal achteraan en zei toen dat ze een zwaar luik moesten openmaken. Daar was een trap naar beneden.
Dirk en Jonas bukten zich om dat luik te openen, zo gauw het open was, gaf Lode ze met zijn voet een duw in de rug dat Dirk erin viel, Jonas draaide zich om en keek in de ogen die boosaardig naar hem staarden.
“Luik dichtdoen en me losmaken, of je ziet ze nooit meer terug.”
“Waar zijn ze?” vroeg Jonas.
Lode lachte luid en onmenselijk, hij grijnsde kwaadaardig naar Jonas.
“Jullie denken dat je slim bent, ik ben niet te vatten. Sofia!”
Uit een nis achter Jonas kwam plots Sofia, ze had een injectiespuit in haar handen en stak Jonas ermee. Hij draaide zich om en duwde haar opzij, hij wilde weglopen, maar voelde zich draaierig. Hij riep zo hard hij kon op Tom.
Het galmde door de gangen, Tom had Suzy en Jonah gevonden, alle drie hoorden ze roepen en gingen door de gangen op het geluid af. Ze zagen een spleet licht en Suzy viel over een been, liet daarbij een gil. Tom scheen met zijn zaklamp en zag dat het Dirk was. Boven hem een luik in ijzer. Hij probeerde het opzij te schuiven en keek recht in de ogen van Lode, die met een mes boven hen stond. Sofia had hem al losgemaakt en stond naast hem, even grijnzend als Lode.
Jonah was een stap achteruitgegaan en trok Suzy mee, hopelijk hadden ze hen nog niet gezien.
Wat moesten ze nu doen? Jonah deed teken aan Suzy om terug te gaan en naar buiten te gaan, dan direct de politie bellen. Suzy ging zonder lawaai te maken de weg terug die ze gegaan waren. Zij had veel in zulke gangen gelopen in haar tienerjaren en was helemaal niet bang. Ze bereikte de deur achter het muurtapijt en keek voorzichtig of ze iemand zag. Dan zette ze het op een lopen naar de deur, en liep de straat op. Er waren mensen die geschrokken naar haar keken. Ze kwam vol stof en zand op haar kleren en haar gezicht besmeurt de straat op. Zelf had ze daar geen erg in, ze stopte als ze uit zicht was en belde de politie op.
De politie kwam met loeiende sirenes naar het kasteel, Suzy had de deur opengelaten, gelukkig stond ze nog open. De politie ging langs de beide kanten van het kasteel de onderaardse gangen in.
De eerste die ze zagen was Jonas die op de grond lag. Verder lag een injectiespuit. Ze zagen een luik met een spleet, aan de andere kant van het luik in de grond probeerde Tom om dat te verschuiven. Een agent hielp dit zware luik opzij te schuiven en zag Tom en Dirk die op de grond lag. Hij was met zijn hoofd op een steen gevallen en buiten bewustzijn.
Dirk werd voorzichtig opgepakt en naar boven gebracht. Hij had een gapende wond aan zijn hoofd, waar ook al veel zand in plakte. Suzy maakte rond de wond al wat proper. Dat het zand niet in de wond kon. Zij en Jonah hadden geluk, zij mankeerden niets en konden naar huis gaan.
De ziekenwagen kwam eveneens met loeiende sirenes aangereden en Jonas en Dirk werden op een brancard gelegd en Tom kon zittend mee, zijn gezicht en hals moest verzorgd worden. Sofia had een spuit met kokend water in zijn ogen proberen spuiten, wat hij gelukkig kon ontwijken.
De notaris bracht een kopie van de beneden afdeling met onderaardse gangen en ruimtes en de plaatsen waar de ingangen waren.
Met het plan kon de politie zich verdelen om alles af te zoeken en niets over te slaan. Ze hadden heel wat werk, het hele kasteel had een onderbouw en veel ruimtes die verstevigd waren met ijzeren gebinte. Meer schuilkelders om tijdens oorlog te verblijven. Ook voorraadkamers vonden ze, eten en drinken, verzorging. Het werd blijkbaar goed bijgehouden aan de data te zien.
Het was al nacht toen ze weer boven kwamen op de begane grond. Geen mensen gevonden, de chef bekeek het plan nog eens aandachtig.
“Heeft er iemand een uitgang gevonden in die gangen?”
Niemand had een uitgang gezien.
“Dan moeten we terug, kijk hier! Er is een splitsing, heb je die gezien? Daar moet een uitgang naar buiten zijn. Die komt uit in een stal. Kom, een paar mannen gaan met mij mee, de anderen blijven hier en steek een paar lichtjes aan.”
De chef terug in de muffe gangen, waar ze enkel licht van hun zaklampen hadden. Hij had het plan mee en keek uit naar een splitsing.
“Hier zou die splitsing ergens moeten zijn.” Zei hij.
De agenten zagen geen splitsing en begonnen de muren te onderzoeken.
“Hier chef, hier lijkt een spleet te zijn, misschien een deel van de muur dat kan opengaan?”
Ze tasten de muur af en plots draaide de muur als een deur naar binnen. Voorzichtig gingen ze daardoor en eerst door een lange, kronkelige gang met aan het einde een trap. Boven aan die trap was een deur die uitkwam in een stal.
Ze stonden in de stal waar eten, hooi en stro lag voor de paarden. De andere stallen waren leeg, de paarden en de koets was weg. De zoektocht had nog geen spoor gegeven van de mensen die ze zochten.
“Mannen, we moeten terug, een andere ploeg moet verder zoeken. We moeten zoeken naar deuren of ingangen die niet op het plan staan, dus nieuw gemaakt, dat kan overal zijn. Het kasteel is heel groot met dikke wanden.”
×