Fragment
Hostels
We bleven eerst dagen in hotels en uiteindelijk in hostels. Elke keer dat we onze spullen neerzetten, zei mama dat het maar voor even was. Maar “even” werd steeds langer. De kamers roken naar schoonmaakmiddel en vreemde geuren van mensen die er vóór ons hadden geslapen. Er was altijd wel een piepende lift, een televisie die we niet mochten aanzetten, of een lamp die het half deed. Ik wist niet meer welke plek bij welke nacht hoorde. Soms vergat ik waar ik wakker werd.
We bleven wel altijd in de buurt, zodat mama ons nog naar school kon brengen en zelf naar haar werk kon. Ze reed nu in die oude ‘geleende’ auto. Een grijze die stikte als ze hem startte, en zo hard trilde dat de spiegels mee bibberden. Soms moesten we uitstappen om hem te duwen, en dan lachten we, maar het was geen vreugdelach. We reden langs straten die ik herkende en reden zelfs een keer door onze eigen straat. De gordijnen van ons huis hingen er nog, maar mama keek expres de andere kant op. De auto rook naar benzine en oude kauwgom. Op de achterbank lagen papieren, bonnetjes en een halflege fles water. Jayden zat naast me met zijn armen over elkaar en keek uit het raam. Waar waren onze fietsen? Ik vroeg waarom we niet naar huis gingen. Ze zei niets.
×