Fragment
‘s Middags praatte ik met de man die ik een kus had gebracht bij
de kapper. Ik zat op de vloer met mijn rug tegen de verwarming.
Hij lag ondersteboven op de omastoel die ik laatst bij de
kringloopwinkel vond. Zijn grote voeten staken zo de lucht in.
Ik zei dat ik soms niet meer weet waar de grens ligt tussen ons. Dat ik
soms niet begrijp waar hij eindigt en ik begin. Waar het vandaan
kwam, weet ik niet. Ik zei het gewoon.
Hij zei dat hij heel anders denkt dan ik. Dat ik zijn brein moet
zien als een computer die weet ik hoeveel linkjes per seconde
legt. Dat hij heel snel denkt en dat alles altijd doorraast in zijn
hoofd.
Ik werd er een beetje moe van en keek uit het raam. Het regende.
Bij de bushalte aan overkant van de straat hadden wel
twintig mensen zich onder hetzelfde glazen afdakje gepropt. Het
zag er grappig uit
×