Fragment
Eén van de 30 portretten in het boek. Vrijwel alle geïnterviewden zijn geboren tussen 1927 en ca. 1941.
Ik wil nog zoveel – Hilda Wetzel
Soms ontmoet je iemand die je wel als tante zou willen hebben. Hilda Wetzel (Tulungagung, 1927) is zo iemand. Via twee belborden bereik je haar verdieping. Daarna volgt een balustrade die eindeloos lijkt. Met gebogen handrug – Indischer kan niet – wuift ze me naar binnen: “Kom binnen, kom binnen. Ga zitten, ga zitten, neem, neem. Wil je niet snoepen? Wat wil je drinken? Ik heb van alles.” De snoeperijen bestelt ze bij vriendinnen – zelf kan ze dat niet meer maken. Ze vertelt in losse schetsen over haar lange leven, soms geëmotioneerd: “Enkele dingen onthoud je wel, enkele dingen niet.” Bij leuke herinneringen begint ze te stralen en steekt twee duimen omhoog: jempol!
Tot mijn 78e stond ik nog op de tennisbaan. Ik was actief en gezond, kon alles nog: dansen, sport, noem maar op. Opeens kreeg ik last van mijn rug. Niemand weet wat er aan de hand is, de dokter ook niet. Misschien slijtage? Tot corona kreeg ik fysiotherapie en ging naar de fitness in het Leo Polak. Dat is nu niet meer haalbaar.
Ik heb zeker wel drie uur nodig voordat ik klaar ben. Ik wil niet klagen, maar ik kan er niets aan doen. Ik ben geboren op Oost-Java. Mijn beide ouders komen daar ook vandaan, maar uit welke plaats weet ik niet meer. Mijn vader werkte op een suikerfabriek in Mojoagung.
We waren met drie zusjes en een broer. Mijn moeder heeft ook nog twee kinderen verloren. Mijn ouders waren gul met voornamen, daarom hebben we allemaal drie namen gekregen, noem mij alsjeblieft Hilda.
Volgens mijn moeder was ik een makkelijk kind. Dat is altijd zo gebleven: ook in mijn latere leven had ik nooit onenigheid met andere mensen. Ik was een lekkerbek en lustte alles. Als kind vind je alles leuk. Ik ben op de fröbelschool geweest en de lagere school. Op school zaten geen Indonesische kinderen. Behalve met de bedienden hadden we weinig contact met de Indonesiërs. Mijn moeder was handig. Ze maakte zelf onze kleding: jurken, broeken. We zagen er altijd keurig uit. Als mijn moeder werd uitgenodigd voor iets, zeiden ze altijd: “Neem je kinderen mee.” We kregen een goede opvoeding en waren geliefd: ik had veel vriendinnen. Toen de oorlog uitbrak werd mijn vader opgeroepen. Vrienden van ons wisten op welke dag de bussen zouden komen om de mannen naar het front te brengen.
Mijn vader moest zich ook melden. We zijn hem met z’n allen gaan wegbrengen. Toen de bussen wegreden, stonden we te zwaaien en riepen: “Houd moed, houd moed”.
Het is geen leuke herinnering. We kregen een schrijven van het Rode Kruis waarin stond dat mijn vader als krijgsgevangene in Malang zat. We hebben hem daar nog bezocht. Nadien heb ik mijn vader nog één keer gezien. Eens in de zoveel tijd kwam het Rode Kruis met de post. Ze hadden een kaart voor ons. Ik was zo door het dolle heen, zo blij. Ik dacht dat het een brief van mijn vader was. Mijn vriendinnen waren erbij en vroegen: “Hil, heb je het wel goed gelezen?” Het bleek het overlijdensbericht van mijn vader te zijn. Hij zat op de Junyo Maru, een Japans schip dat per ongeluk door de Engelsen was getorpedeerd omdat ze niet wisten dat er krijgsgevangenen op zaten. Zijn overlijden was zo’n schrik, ik was zo verdrietig. Meerdere families kregen een overlijdensbericht, dus het was een droevige dag voor velen. Tijdens de Japanse bezetting was ik nooit bang. Het was rustig en veilig: er waren geen inbraken. Als er werd gestolen en het waren Indonesiërs, kregen ze een bord omgehangen waarop in het Maleis stond: “Ik ben een dief, ik heb gestolen.” Met dat bord moesten ze langs de huizen lopen.
We hadden geen luxeleven, absoluut niet, maar we leden zeker geen honger. Tijdens de oorlog kregen we een kleine ondersteuning voor het levensonderhoud, maar van wie weet ik niet. Mijn zusjes en ik waren goed in handwerken en haakten witte sokken voor de Japanners. Zo verdienden we een klein zakcentje bij. Ook al was het een moeilijke periode, mijn moeder heeft altijd goed voor haar kinderen gezorgd – oorlog of geen oorlog. Op het einde van de oorlog zat ik met een aantal familieleden bij mijn toekomstige man Ted Musch in de auto. We reden langs een wachtpost van de Japanners en moesten stoppen om door het raampje voor ze te buigen. Kennelijk had mijn man niet goed genoeg gebogen. Hij moest uitstappen en op straat diep voor ze te buigen. Toen was ik wel bang. Mijn man had dat heel vernederend gevonden, vertelde hij me later. Het Rode Kruis bevrijdde ons. Ik denk niet graag terug aan de Nippon-tijd, maar de Merdeka-tijd (vrijheidsstrijd) was een heftige tijd: de pemoeda’s met hun bamboe roentjing (bamboe spies) en de huizen die ze rampokten (plunderden). Op de huizen kalkten ze: ‘Jullie moeten weg, musuh kita, onze vijand.’ We waren Indische Nederlanders, maar de Indonesiërs zagen ons als Hollanders. Op een keer zaten we aan tafel, mijn moeder, mijn tante, mijn zusje en ik. Er werd geklopt en daar stonden twee Indonesische militairen. Ze zeiden in het Maleis: “We moeten u ophalen, u kunt eerst uw bord leegeten en daarna pakt u een en ander in, maar geen scherpe voorwerpen.” Ze waren heel beleefd. We hebben het hoognodige gepakt. We waren met een grote groep Indischen en ze brachten ons naar een school. Daar hebben we een jaar gezeten.
Daarna brachten ze ons naar een andere plek in de buurt en toen weer terug naar Tulungagung, in een kamp. Toen was ik angstig. Wat er nu allemaal gebeurt, roept herinneringen op aan vroeger. Mijn broer en andere zus zaten in Surabaya. Via via hoorden we dat het daar heel gevaarlijk was: gevechten, schieten, branden. Echt heel erg. Maar hoe het met die twee ging, wisten we niet. Mijn moeder maakte zich zo’n zorgen dat ze in paniek raakte en bloed opgaf. We brachten haar in de dokar, een soort rijtuigje, naar het zieken- huis. Daar hoorden we dat mijn moeder moest rusten. Terug in het kamp kregen we een eigen kamer vanwege mijn moeder. In de kampen zaten de vrouwen en mannen gescheiden. Uit het mannenkamp kenden we een zekere meneer Van der Erlen die heel muzikaal was, hij speelde klarinet of saxofoon. Eén keer in de week mochten de mannen de vrouwen een paar uurtjes bezoeken. Het lievelingsliedje van mijn moeder was ‘Begin the beguine’.1 “Het zou toch leuk zijn als hij dat voor haar wil spelen”, zei ik tegen mijn zusje. Ik benader hem en leg uit hoe ziek mijn moeder is en of hij dat voor haar wil spelen: “Natuurlijk doe ik dat.” Mijn moeder kon het niet geloven toen ze hem het liedje hoorde spelen. Ze was zo aangedaan. In mijn herinnering hoor ik hem weer spelen. Na Tulungagung hebben we nog een poosje in Jakarta gezeten en daarna in Surabaya. Tijdens de oorlog mochten we van Nippon niet naar school, maar na de oorlog heb ik bijles genomen. Velen deden dat om zo Engels te leren, typen en steno. Je wilde niet stil blijven staan. Ik wilde geld verdienen om mijn moeder te bij te staan. Ik vroeg mijn neef om mij te brengen naar het hoofdkantoor van de Motor Transportdienst (MTD) van het gouvernement. Ik heb gesolliciteerd en kon direct beginnen als secretaresse. Dat ik dat durfde – als je jong bent durf je veel. Bij de MTD heb ik een jaar of vier gewerkt. Daarna ben ik stiekempjes gaan solliciteren. Ik wilde meer verdienen.
Van vriendinnen had ik gehoord dat de handel veel beter betaalde dan het gouvernement. Een vriendin werkte bij de Nederlands-Indische Vereniging voor de Afzet van Suiker (NIVAS). Ze kreeg een andere baan en stelde voor dat ik haar oude baan zou overnemen en dat is gelukt. Daar verdiende ik tweemaal zoveel. Voor mezelf hield ik een klein zakcentje, maar het grootste gedeelte ging naar mijn moeder. Ik vond werken leuk, in Indonesië en later ook in Nederland. Allereerst natuurlijk het werk zelf, de omgang met leuke collega’s en een goede chef, maar vooral om zélf geld te verdienen. Ik was een jaar of vierentwintig toen we trouwden. Mijn man heeft lang op mij moeten wachten, we hebben vijf jaar verkering gehad. Zo was dat toen. Hij had een goede baan met een auto van de zaak. Hij werkte bij Gijselman en Steup, een makelaarskantoor in suiker en nog iets. In het begin van ons huwelijk werkte ik nog. We gingen graag uit. In Surabaya was De Stadstuin een favoriete plek. We hielden van dansen, vrolijkheid en muziek. Ik was sportief: tennis, badminton en squash. Ik heb nog prijsjes gewonnen met het damesdubbel, dat stelde niet veel voor. Maar toen we wonnen moesten we wel trakteren. Ik heb zoveel gejived in mijn leven. Nu kan ik alleen nog maar kijken. Het liefste zou ik iedere avond op de dansvloer staan. Over wat er was gebeurd, de Nippon-tijd en daarna, spraken we niet. In 1955 gingen we voor een halfjaar met buitenlands verlof naar Nederland.
Ik vond het heerlijk. Je kreeg een extra toelage als je met verlof ging. We gingen op familiebezoek, uitstapjes maken, veel buiten eten. Voor het eerst zag ik het ijs en de sneeuw waarover we op school hadden gelezen. Ik maakte er een balletje van om te kunnen proeven. Na terugkomst kon mijn man nog steeds zijn werk blijven doen. Ik werkte niet, maar deed veel vrijwilligerswerk. Samen met andere vrouwen, voorname- lijk doktersvrouwen, bezocht ik mensen in het ziekenhuis of thuis en hielpen we ze met van alles. De professor van het ziekenhuis was bang dat ik toch wilde vertrekken.
Hij plaagde me graag dat er geen boten meer zouden gaan naar Holland. Tijdens ons buitenlands verlof waren in Surabaya flats gebouwd waar we na terugkomst gingen wonen. Alles was nieuw, heel fijn. De chef van mijn man woonde beneden en wij daarboven. Langzamerhand begon het toch wat moeilijker te worden. De Indonesiërs kregen steeds meer moeite met de aanwezigheid van de Nederlanders. Op een avond, ik was nog wakker, hoorde ik een auto stoppen voor ons huis. Ik keek stiekem naar buiten. Pemoeda’s stapten uit. Ze droegen van die rode hoofddoeken. In het Maleis zeiden ze: “We moet hier zijn, daar en daar.” Ze zijn op een muurtje geklommen en hebben onze muur beklad met rode letters die betekenden: “Belanda, jullie moeten terug.” De volgende dag vroeg de chef aan mijn man of hij wist wat er was gebeurd. Nou en of… Iedereen had het er over. Ook onze bedienden – ieder- een had nog bedienden. Ze waren bang dat we zouden vertrekken: “U gaat toch niet terug?” Ik sprak een beetje Pasar-Maleis en zei dat we eens wel terug zouden gaan.
Daarna zijn die Indonesiërs nog een keer teruggeweest. Er is wel meer gebeurd, maar dat kan ik me niet zo goed herinneren. We zijn nog zo lang gebleven omdat het kon.
Sowieso gingen mensen met kinderen voor. Ik kreeg ook de gelegenheid om vooruit te gaan, maar daar zag ik niets in. Je wil toch bij je man blijven. In 1960 zijn we wel voorgoed naar Nederland gegaan. Ik vond het heel erg om te vertrekken. Je bent daar geboren en getogen. Je hebt je vrienden. Ik had kunnen blij- ven, maar dan moest ik Warga Negara Indonesia (Indonesisch staatsburger) worden en dat wilde ik beslist niet. We zijn met de Mataram gegaan. Onderweg mochten we van boord. Op de boot reisden enkele warga negara mee, maar die mochten niet van boord. Waarom dat verschil? Ze vroegen of we spulletjes voor ze mee wilden nemen als we aan wal gingen. Nederland was niet vreemd voor me, maar in Indonesië waren we gewend dat de melkman en de groenteman Indonesiërs waren. Hier waren het de Nederlanders die zeiden: “Goedemorgen mevrouw.” Aan dat verschil moest ik wel wennen. In Indië wist je dat de Hollanders op de eerste plaats stonden. Of ik dat terecht vond is een andere vraag, maar wat kon je eraan doen? We kwamen eerst terecht in een pension in Dordrecht. Mijn man solliciteerde bij zijn oude bedrijf dat in Amsterdam zat en werd aangenomen. We gingen wonen in een pension in Zuid. Daar mochten we maar één keer per week een bad nemen.
Daarna konden we een flatje krijgen in Osdorp, in de Domela Nieuwenhuisstraat.
We waren een van de eerste bewoners. De mensen zeiden: “Boffen jullie even”, maar beseften niet dat we helemaal opnieuw moesten beginnen. Er stonden een paar flats.
Verder was het leeg. Geen winkels, helemaal niets. We moesten de bus nemen om boodschappen te doen. Het Hollandse eten vond ik wel lekker. Ook in Indië was het zeker niet zo dat we alleen maar rijst aten, ook aardappelen. We aten gevarieerd.
Gelukkig kon ik koken. Toen ik werkte nam mijn moeder me op zaterdag, mijn vrije dag, mee naar de keuken om te leren koken. Ze zei: “Je zal een man hebben die een lekkerbek is en je kunt niet koken.” Ik ben mijn moeder dankbaar dat ze me heeft leren koken. Zo bouwde ik het op van een, twee gerechten tot een rijsttafel compleet.
Het klinkt misschien gek, maar ik overdrijf niet. Rijsttafel compleet maakte ik zeker voor vijfentwintig tot dertig mensen. Ik ben met een vriendin op bakles gegaan. Later zei mijn broer: “Hilda is niet tevreden met twee taarten, ze moet drie taarten maken.” Mijn collega’s dachten dat ik lekker groot woonde met ruimte om flink te koken. Niks groot, het was een driekamerflatje. In de buurt woonden andere Indischen, maar veel waren het er niet. Hooguit een stuk of vijf, zes. We hadden wel contact, maar het is niet zo dat je de deur platloopt bij elkaar. Mijn overbuurvrouw kon goed bapao (Chinees gestoomd broodje met vulling) maken, dus iedereen bestelde bij haar. Als we elkaar spraken, was Indië wel het gesprek: “En hoe vind je het hier? Hoe lang zit je hier? Het is wel wennen, maar alles went.” Soms hadden we het erover hoe gek het was dat bij sollicitaties een Hollander altijd eerder een baan kreeg dan een Indische Nederlander, ook al hadden ze dezelfde papieren. Waarom toch? Zo ging het. Teruggaan kon niet meer. De Indischen zijn erg gastvrij. Als de familie komt, leg je overal matrassen zodat ze kunnen logeren. We vierden ook vaak de verjaardag van mijn moeder bij ons. Toen ze zei: “Hil, ik kan niet meer mijn verjaardag bij jou vieren”, had ik zo’n verdriet. ’s Nachts moest ik er erg om huilen. Ik woonde op drie hoog en daardoor kon ze de trap niet meer op. Bij ons is het altijd van: “Kom maar, kom maar.” Iedereen kan mee eten, we koken nooit gepast. Dat gaat automatisch. Mijn neven en nichten doen het nog steeds zo. Buiten de Indische kring ging ik ook om met Nederlanders. Met de vrouw die vroeger naaiwerk van me aannam, ben ik goed bevriend geraakt. Nog steeds. Soms belt ze op en zegt: “Hil, ik kom je halen, het is mooi weer, we gaan in de tuin zitten.” Ik vond het allemaal wel leuk. Als je jong en gezond bent, kun je alles aan. Je vergeleek wel met Indonesië. Daar had je bedienden, hier moet je alles zelf doen, maar alles went. Wel miste ik het klimaat heel erg. Maar tennissen kon nog steeds. Er waren dansgelegenheden voor Indischen en gemengd, waar je maandelijks kon dansen. Ik hou van Engelse en Amerikaanse muziek zoals ‘In the mood’, maar niet van Indonesische liedjes. Het is van de laatste jaren dat er ook Indonesische liedjes worden gezongen op gezellige bijeenkomsten. Mijn Indische boodschappen haalde ik eerst bij Toko Joyce in Slotermeer en later bij Toko Makassar. Sinds Toko Makassar is gewisseld van eigenaar brengen ze de bestellingen niet meer aan huis. Dat mis ik wel. Ik kook nog wel, maar heel eenvoudig.
Het lukt niet meer om lang te staan. Gelukkig neemt mijn nicht van alles voor me mee. Ik ga met vriendinnen buiten eten of bestel eten bij IMOA, de kumpulan die ik bezoek. Mensen mogen iets meenemen, altijd voor míjn rekening. Hoe dan ook, ik heb altijd genoeg, meer dan genoeg. Ik heb niet te klagen. Van 1973 tot 1989 werkte ik bij de PTT op de administratie. Ze zeiden dat het eenvoudig werk was, maar je moest wel met een computer kunnen werken, dus daarvoor heb ik een cursus gevolgd. Ik wilde werken omdat ik geld wilde verdienen, niet helemaal afhankelijk zijn van mijn man. Ik wilde iets van mezelf. De PTT zat in het centrum, in de Pieter de Hoochstraat. Op zeker moment ben ik gescheiden. Kinderen zijn er nooit gekomen. We gingen als vrienden uit elkaar. Ik had plezier in mijn werk; ik was een van de weinige Indischen. Ik heb me nooit minder gevoeld dan de Nederlanders.
Ik vond het wel vreemd als een collega tegen me zei dat ik uit Indonesië kwam. Ik legde dan uit hoe het zat: “In Indië leerden we dat niet alle Nederlanders op klompen lopen. Wat raar dat jullie niets weten van ons.”
Ik heb altijd veel kennissen en vrienden gehad. Ik weet niet hoe dat komt. Na mijn scheiding ontmoette ik op een feestje iemand en met hem ben ik heel, heel goed bevriend geraakt. Met nadruk op ‘vriend’. Een vriend is betrouwbaar, je weet wat je aan elkaar hebt. Het ging twee kanten op. Als we uitgingen, stond ik erop om de benzine te betalen. Geen misbruik maken van elkaar. Daar hou ik niet van. Ruud is in 2009 overleden. Jammer. Ik ben nooit meer teruggeweest naar Indonesië. Niemand gelooft dat, maar het is echt waar. Terwijl de gelegenheid er was. Ik had ook zin, was enthousiast om voor een keertje terug te gaan. Ik zou met Ruud gaan. Alles was in kannen en kruiken, de rondreis al geboekt. En toen begon ik te aarzelen: mijn moeder leefde nog en ik zou zeker een maand weg zijn. Ik heb ervan afgezien. En Ruud ook, hoewel dat niet had gehoeven van mij. Daarna deed zich nog een gelegenheid voor en weer was ik degene die annuleerde. Ik weet niet wat me ervan weerhield, je moet dat niet forceren. Ik heb geen heimwee naar Indonesië. Wat valt er te zoeken? Geen familie meer, kennissen zullen er ook niet meer zijn. Ik ken mensen die elk jaar teruggaan en bijna verontwaar- digd zijn als ik vertel dat ik nooit meer terug ben geweest. Ik vind het vervelend om afhankelijk te zijn. Dat is langzamerhand zo gekomen. Ik heb zelf hulp gezocht. Sinds 2010 loop ik met een rollator. Via de huisarts krijg ik één keer per week hulp van Cordaan, en ik heb een privé-hulp. Ze is gekomen toen haar baby nog klein was en die is nu drieëntwintig jaar. Twintig jaar geleden werd mijn buurt gesloopt en verhuisde ik in Osdorp naar dit huis. Ik moest wel wennen: een verandering is nog geen verbetering. Deze buurt is achteruitgegaan. Het is er niet gezelliger op geworden: alle Chinese restaurants zijn weg, de viswinkel, groenteboer, alles weg. Het scheelt dat ik niet meer winkel in, winkel uit kan. Ik heb al jaren geen kleding meer gekocht. Mijn kasten zitten vol, nog van vroeger. Met mijn verjaardag of Sint-Nicolaas komen mijn neven of nichten met een mooie blouse: “Tan, we weten dat u moeilijk kan winkelen.” Mijn neven en nichten zijn zo lief, ik beschouw ze als mijn eigen kinderen. Mijn vriendinnen bieden ook aan om iets te doen. Om de zoveel tijd ga ik naar een kapster aan de Osdorper Ban of een nicht helpt me met watergolven. Hoe dan ook wil je er toch goed uitzien. Ik hou van gezelligheid en muziek. Gelukkig kan ik nog wel naar de middagen bij IMOA. Vorig jaar ben ik lid geworden van SIOH. Dat is een club van Lieflijk Indië, een wooncomplex voor Indische ouderen in Haarlem. Ik ga met een vriendin. Ik dank Onze Lieve Heer dat ik op zo’n hoge leeftijd zoveel liefde en vriendschap mag krijgen.
Meity haalt me op voor de kumpulan of iemand van de tennisclub. Hij komt ook bij mij thuis met zijn gitaar en vraagt wat ik wil horen. Ik probeer elke zondag naar de kerk te gaan in De Opgang. Ik ging ook naar de Sloterkerk, maar dat is nu te moeilijk met lopen. Het geloof betekent veel voor mij, heel veel. Altijd vraag ik aan Onze Lieve Heer of Hij de familie, vrienden en kennissen wil bijstaan en beschermen. Ik wil nog zoveel, maar alleen kan ik het niet en ik heb Zijn hulp nodig. Ik vind het fijn dat ik zo’n hoge leeftijd heb mógen bereiken. Dat verwacht je niet. Je weet niet hoe je je ouderdom bereikt. Ik bezoek mijn familie in Brabant met de Valys en teruggaande brengen ze mij thuis. Ik voel me bezwaard over de afstand, maar ze zeggen: “Tan, we stellen het zeer op prijs als u aanwezig kunt zijn.” Als het enigszins kan, probeer ik ook aanwezig te zijn. Ik wil niet dramatisch doen, maar ik weet niet of het volgend jaar nog kan. Het vervoer kan ik gelukkig zelf nog regelen en mijn bankoverschrijvingen, maar ik type liever dan dat ik schrijf. Nu kan ik alleen nog met twee vingers typen, met tien vingers is verleden tijd. Met kerst en nieuwjaar typte ik mijn kaarten, zeker wel honderdtien stuks, maar met de loop der jaren… Het maakt je droevig dat zovelen er al niet meer zijn. In mijn leven heb ik afscheid moeten nemen van vele dierbaren. De verjaardagskalender wordt leger en leger. Van mijn generatie ben ik nu de enige overlevende. Naast mijn bed liggen twee gebedenboekjes waarin ik altijd lees voordat ik ga slapen. Maar het lezen wordt wel moeilijker. Als ze vroeger zeiden: “Ouderdom komt met gebreken”, dacht ik altijd: waar hébben ze het over, maar het is zo.
×