Inhoudsopgave
Voorwoord en leeswijzer
Vanaf de jaren vijftig vestigden veel Nederlanders van Indo-Europese afkomst – in het dagelijks leven Indische Nederlanders of kortweg Indo’s – zich in de Westelijke Tuinsteden van Amsterdam. Als Indo én bewoner van dit stadsdeel vroeg ik me al langer af: hoe bouw je een nieuw leven op als je gedwongen je moederland moet verlaten? Die sluimerende vraag werd wakker toen ik voor het levensboekenproject van ESAN – een vrijwilligersorganisatie van en voor Energieke Senioren in Amster- dam Nieuw-West – het verhaal van mijn eerste Indische oudere, Mureel van der Meijden, optekende.
Het was het begin van een zoektocht naar Indische Nederlanders die zich in dit deel van Amsterdam hadden gevestigd en hier een nieuw leven probeerden op te bouwen Via lokale krantjes, kumpulans, de gezellige bijeenkomsten van Indische ouderen, en via via legde ik contact. Ik werd hartelijk ontvangen, maar niet iedereen wilde praten. “Soedah, laat maar”, zeiden sommigen. Het afscheid van Indië was immers niet vrijwillig. Degenen die hun verhaal wél wilden delen, deden dat met warmte en humor.
De stiltes die ook zij lieten vallen, konden het verdriet dat er evenzeer was, niet verhullen. Tot mijn spijt hebben sommigen de afronding van dit boek niet meer meegemaakt. Hun bijdragen vormen een onschatbare nalatenschap. Het schrijven van deze publicatie voelde als een geschenk.
Mijn familie leefde decennialang in voormalig Nederlands-Indië, maar ik werd in Nederland geboren. Toch voelde ik me altijd Indo – tot Corry Smit-Otto, een van de gepor tretteerde ouderen, zei: “Jij... jij bent een Indo kesasar”, een verdwaalde Indo. Die woorden raakten me. Was ik echt verdwaald? En hebben degenen gelijk die denken dat het Indisch-zijn langzaam verdwijnt? Vaak lijkt het Indische verleden vooral te gaan over de oorlog, de Bersiap en een verlangen naar tempo doeloe – de goede tijd. Maar voor velen buiten de koloniale elite was die tijd helemaal niet zo idyllisch. Hoe dan ook: voor Indische Nederlanders was Indië het enige thuis dat ze kenden. Hun vertrek was geen keuze, maar een noodzaak.
De Indo’s die in Nederland werden geboren, kennen dat verleden alleen uit overlevering. Toch werkt het wel door. Ook opende de eerste generatie voor de latere generaties de deur naar een nieuwe samenleving. Een waarin we ons langzaam kunnen losmaken van het knellende koloniale verleden. Nederlands-Indië bestaat niet meer. Indonesië is nu van zichzelf. Dat geeft ruimte om na te denken, tot eigen oordelen te komen en om vooruit te kijken.
Mijn dank gaat uit naar Joke Veldkamp van ESAN, die meteen zei: “Doen!” toen ik dit plan voor de publicatie met haar besprak. Naar mijn trouwe reisgenoot D., die al lang vond dat ik dit moest opschrijven: “Straks zijn ze er niet meer.” En natuurlijk naar Mureel van der Meijden en Norma Anthonijsz, die zich met hart en ziel inzetten voor ouderen, en toch tijd vonden om mij op weg te helpen: terima kasih banyak, heel erg bedankt.
De mensen en hun verhalen vormen het kloppend hart van dit boek. Wie zich echter afvraagt wat daaraan voorafging, vindt in het tweede deel van deze publicatie histo- rische context.
Leeswijzer
De geportretteerde ouderen, de hoofdpersonen in deze publicatie, wonen in Amsterdam Nieuw-West – in Slotermeer, Geuzenveld, Slotervaart, Overtoomse Veld of Osdorp – en kwamen ooit uit Indonesië, dat toen nog Nederlands-Indië heette.
Geen herinnering is gelijk. De jeugd, de oorlog, de Bersiap en de overtocht naar Nederland zijn voor iedereen anders. De ouderen schakelen in hun spreektaal moeiteloos tussen toen en nu, de verleden tijd en de tegenwoordige tijd, alsof het verleden nog steeds leeft – die dyna- miek heb ik behouden. Ook de spelling van woorden – tahoe is hetzelfde als tahu – en van plaatsnamen, bijvoorbeeld Batavia en Jakarta of Bandoeng en Bandung, wisselt mee, zoals het was in hun beleving. Achter in dit boek staan drie korte achtergrondhoofdstukken die het bredere verhaal schetsen waarin de interviews zijn ingebed. Waarom vertrokken zoveel Indo’s naar Nederland? En hoe zag de koloniale samenleving eruit waarin zij opgroeiden?
In ‘Waar de reis begon… in de archipel’ wordt zichtbaar hoe het dagelijks leven in een kolonie functioneerde die vooral als wingewest was bedoeld. Dit hoofdstuk beantwoordt ook de vraag waarom Indisch niet hetzelfde is als Indonesisch, en vormt een brug naar wat er gebeurde tijdens de Bersiap. Daarna volgt de onafwendbare uittocht uit het moederland en de allesbe- halve warme ontvangst in het vaderland. We lezen over de commissie-Werner – die voorspelde dat assimilatie zou mislukken – en over het beleid rond opvang in con- tractpensions en spreiding over het land aan bod. Dat beleid doet denken aan de spreidingswet van nu. In ‘De Westelijke Tuinsteden: licht, lucht en ruimte… en koud’ staat het dagelijks leven van Indische gezinnen in Nieuw-West centraal. Werden zij, zoals poli- tici destijds vreesden, een last voor de samenleving? Of wisten ze in stilte een eigen bestaan op te bouwen – met werk, kumpulans en onderlinge steun? Archieven van de sociale dienst hielpen bij het vinden van een antwoord. Tot slot een korte terugblik op een Indische familiegeschiedenis – ontstaan in de archipel en voor een deel verdergegaan in Amsterdam Nieuw-West. De kolonie is verdwenen, maar liet wel sporen na die tot op de dag van vandaag zichtbaar en voelbaar zijn.