Fragment
Veurjaor 2020
Bi-j ons achter in de tuin
dut de krentenboom het bes.
En kiek daor gunds de lammekes.
Ze springen en dartelen in het gres.
De boer zit op zin trekker,
duut het wark weer op zin land.
Het veurjaor is begonnen.
Zo te zien is d’r niks bezunders aan de hand.
Veur het huus vlakbi-j het raam
hef de slöttelbloem al kleur.
En kiek naor al die hommelkes.
Zie doen de mug het dansen veur.
Uut het westen zingt de wind:
“Kom zon naor disse kant.”
Het veurjaor is begonnen.
Zo te zien is d’r niks bezunders aan de hand.
Maor wi-j geven mekaar gin hand.
Op een feestje steet een straf.
Als ik ow toevallig tegenkom,
blief ik meters van ow af.
Wi-j hemmen alleneg raamvisite.
Jao, het is een groot verdriet.
Het veurjaor is begonnen
met een vijand die’j niet ziet.
Veurjaor 2020.
Het is een hard gelag.
Samen, zo alleen,
met de troost van Bach.
Veurjaor 2020.
De wereld op zin kop.
Maor de vogels heur ik zingen:
“Wi-j hollen d’r niet met op!”
De verrekijker
Piet en Mie woonden op een boerderij. Deze lag diep weggestoken in een Gelderse uiterwaard op een terp aan een dooie arm van de Olde Waol.
In de wintertijd liep de ward vol met water. Wanneer het hoogste punt bereikt was, stond het precies onder de dörpel van de vördeur van het voorhuis. Dat was vastgeplakt aan de koestal, de varkenshokken, de paardenstal, het washok, de schuren en de hooizolder.
Het leek op een ooit in een ver verleden gesloten verbond tussen mens en natuur: kom maor met ow water aover het land, maar streum niet aover de dörpel van de vördeur.
In de zomer was de boerderij met het verkoelende water van de Olde Waol, de overgroene weilanden en de volle fruitbongerd een paradijs op aarde.
Elke ochtend dirigeerde Mie de varkens de terp af naar de lager gelegen varkenswei. Met een rietje in haar hand, dat ze hanteerde als een dirigeerstok riep ze voortdurend: “Poet, poet, poet”. De varkens liepen in een soort struikelprocessie de dam af, haastig op zoek naar modder en kruidige wortels. ’s Avonds herhaalde zich de optocht. Alleen ontbrak het de hele bups dan aan de snelheid van het ochtenduur. Traag beklom het de terp.
Roken de zeugen eenmaal boven gekomen de pap die in de trog lag, dan wisten ze niet hoe vlug ze met hun schrauwend geschreeuw het kot moesten binnenkomen.
Piet zorgde voor de koeien en de kalveren. Hij deed hen elke morgen uitgeleide naar de wei zonder een woord te zeggen. Af en toe petste hij met de vlakke hand een koe op de rug net voor de staart waar de slager de dikke lende vandaan haalt. Tegen melkenstijd volgden de dames hem gedwee naar de stal. De kalveren hadden vaak geen zin. De wei was te mooi en te sappig.
Maar als hij begon te roepen: “Kies, kies, kies” dan kwamen ze bokkend aangerend, wetend dat brokken, stro en hooi op hen lagen te wachten.
Het paard liep als een veldheer het erf af en zocht de stal zelf weer op. Het dier wist hoe en waar te lopen, te grazen en te werken. Alleen als het een völle had en Piet wilde het tweetal op stal hebben, dan hoorde je hem roepen: “Proei, proei, proei.”
Uit het keukenraam zag je piepklein de dijk liggen. Ze bood Piet en Mie de uitweg naar andere oorden, maar ze gaf ook gastvrij toegang tot de boerderij. Met de auto kon je er niet komen. Lopend of op de fiets slingerde je langs de vrachten van prikkeldraad om aan de voet van de terp te komen. Via een wankel vlonder bereikte je de top van de terp. Als kind meende ik dat ik steeds de kans liep via dat vlonder de peilloze diepte in te storten waar het donkere water mij naar onbekende bestemmingen zou sleuren. Als ik nu iemand over een loszittende plank hoor lopen, ben ik onmiddellijk terug in de tijd. Toen stuurde ik mijn fiets snel over de vlonder naar het erf.
Een logeerpartij bij Piet en Mie in de nazomer was een feest. ’s Avonds in bed, als de warmte nog na zinderde hoorde ik de krekels slijpen, soms voor even onderbroken door het ge-oehoe van een ransuil of het gespat en het scherp getjirp van een opvliegende watervogel. Ik hoorde de heimelijk zachte stemmen van Piet en Mie. Ze zwommen het zweet van overdag weg in de donkere Olde Waol. Effe weg van hun onrustig slapend kind en de logeetjes om een moment voor zichzelf te hebben.
Piet was een goeierd. Hij was overal tevreden mee, lachte veel en bemoeide zich niet met het huishouden. Zijn rijk was de boerderij, het vee en de gewassen op de akkers. Hij sprak niet veel. Ging het over jagen en vissen ging, dan rolde het ene na andere spannende verhaal over zijn lippen. Dat ging door totdat Mie zei dat het genoeg was met al die onzin. Mie was de tegenpool van haar man. Ze rebbelde de hele dag, was de baas van het huishouden en de varkens. Niets ontging haar.
Op de keukentafel lag een verrekijker, “veur wietweg,” meende Mie. Daarmee haalde ze de silhouetten op de dijk dichterbij tot herkenbare mensen. De meeste dijkgangers kende ze. Passeerde een onbekende, dan volgde ze de persoon met de kijker tot ze niets meer zag. Ondertussen somde ze het merk fiets en bij het gezicht de namen van de buren op. Daar zou de onbekende kunnen aansteken.
De verrekijker gaf Mie bij haar optische waarnemingen ook tijd en gelegenheid voor acties. Zag ze, dat haar enige broer Jan op de dijk afsloeg naar haar huis, dan zette ze kalm en bedaard water voor een pot koffie op. Het duurde immers nog zeker tien minuten, voordat Jan na al het laveerwerk zich meldde bij de daeldeur.
Kwam schoonzus Juul met haar Hollandse man en militair Kees in beeld, dan toverde Mie haar huis in tien minuten tijds om tot een opgeruimd en blinkend onderkomen waar de frisheid van afdroop. Juul en Kees waren binnen de familie fijnproevers die alle onvolkomenheden van familieleden blootlegden en rondblaajden.
Zag Mie de pastoor de oversteek naar de boerderij maken, dan sloeg zij met een doek het kruisbeeld stofvrij, vulde het wijwatervat en stak ze een kaars aan bij het beeldje van de Heilige Maagd Maria.
De pastoor kwam niet alleen voor de koffie en het kuukske maar ook voor de vraag wanneer de tweede zich zou melden in het gezin. Piet had daar op het laatst schoon genoeg van. “Mijnheer pastoor”, zei hij bij het zoveelste bezoek, “de familie Van Nazareth had er ook maor één, dus waorum zollen wi-j d’r meer nemmen.”
In die ene zin school het ware humanistische karakter van Piet. Hij gaf Jozef en Maria de familienaam Van Nazareth mee. Niet God maar hij en Mie konden een baby maken en zij alleen zouden daar voor zorgen, als ze dat ten minste wilden.
Zo ging jaar na jaar voorbij. De verrekijker bood Mie de ultieme blik naar de wijde wereld. Met dit instrument in haar handen, leunend op de keukentafel, kon ze tijdig schakelen bij de komst van bezoek.
Met de jaren verstreek wel haar gezondheid. Nee, lichamelijk kon ze nog alles aan, maar in haar hoofd begonnen flarden mist haar waarnemingen te omhullen.
Ze gaf aan haar gewaarwordingen steeds vaker foute betekenissen. Kwam Jan op de dam, dan meende ze haar vader te zien. Uitgelaten stortte ze zich naar buiten om Vad met dikke kussen te begroeten. Jan spartelde tegen en wist zich geen raad. Juul en Kees zag ze aan voor de buren die op koffievisite kwamen. Haar enige zoon Antoon vond ze een vreemde snoeshaan, die telkens onverwachts opdook.
Uren tuurde Mie met haar verrekijker naar de dijk. Ze vergat haar huishouden en haar varkens. Piet liet haar maar. Samen met Antoon deed hij het werk. De verrekijker veranderde voor Mie in een televisiestation, dat nauwgezet de gebeurtenissen van alle dag registreerde, maar dan wel volgens het script van Mie. Als het begon te schemeren, legde ze de verrekijker tevreden weg als een afstandsbediening waarmee ze net het toestel had uitgezet.
Allerlei figuren passeerden het turend oog van Mie. Piet en Antoon keken er in het begin van op, maar na verloop van tijd namen ze de waarnemingen van Mie voor lief en knikten ze ja tegen haar beweringen.
Op een dag zag Mie door haar wietwegkieker een schaduw de dijk afdalen. Nee niet afdalen maar afschieten. Hij flitste langs alle karposten en stond in een mum van tijd op de vlonder.
“Dag Dood”, zei Mie.
“Ik kom ow halen”, zei de Dood.
“Da’s mooi. Ik zag ow in de wiete ankommen.”
Mie legde de verrekijker op de keukentafel en pakte de stoel vlak bij de voorraadkast die haar houvast bood als ze ging zitten.
“Gao’j met“, vroeg de Dood.
“Da’s goed, mien jong,” waren haar laatste woorden.
×