Fragment
Fuck, fuck, fuck.
Ik liep in mijn onderbroek de trap naar de receptie af. Ome Kees, Ome Nico en ook Bernard en Jacques zaten aan de koffie in de receptieruimte. Jacques en Bernard zaten al op me te wachten. We moesten naar de RAI. Vanaf tien uur ging de beurs namelijk weer open voor publiek en moest alles weer blinkie blinkie zijn. Je kunt potentiële klanten moeilijk ontvangen in die smerige bende van lege bierglazen en volle asbakken.
‘Schiet je op,’ zei Bernard. ‘De taxi staat er al.’
Ik was zó intens brak. Ik had het warm. Ik moest kakken en ik voelde tevens een onaangenaam zuur mengsel mijn giecheltje inkomen vanuit mijn maag. Het kotsen stond me nader dan het lachen. En dan zat ik, als klap op de ridicule vuurpijl, ook nog eens met de Nubische prinses boven in mijn bed, wachtend op driehonderd euro die ik niet had.
‘Jongens, ik heb een probleem.’
‘Dat roep ik al jaren,’ zei Bernard droog.
Ome Kees hield het niet meer en stikte bijna in zijn koffie van het lachen.
‘Er ligt een hoer in mijn bed en die moet ik driehonderd euro betalen.’
De koffie had via de neusgaten van Ome Kees een weg naar buiten gevonden, terwijl hij schaterlachend op zijn vaste stoel achter de computer zat.
Nico legde een hand op mijn schouder en griste snel een banaan van de fruitschaal, die voornamelijk dienstdeed als houder van pakjes shag en Lucky Strike click-sigaretten.
‘Je hebt het weer mooi voor elkaar, Bins,’ zei hij en sprintte de trap af naar zijn vouwfiets om naar het station te geraken. Nico werkte na zijn carrière in de bordeelbranche in een staalfabriek nabij Lelystad.
Bernard vond dit alles niet zo amuserend als Ome Kees en Ome Nico.
‘Teringmafkees!’ beet Bernard me toe terwijl hij stampvoetend de trap van Club Elegance afdenderde richting taxi.
‘Op een beursdag. Wat een mongool!’ hoorde ik hem nog schreeuwen voordat hij de voordeur kwaad achter zich dichtsmeet.
×