Wij werken op volle kracht, er is geen vertraging in productie en levering door het Coronavirus. Meer informatie via deze link.

€ 16,45

ePUB ebook

niet beschikbaar

PDF ebook

niet beschikbaar

Raphael

Alphonse de Lamartine • Boek • paperback

  • Samenvatting
    De Savoie, Frankrijk, midden 19e eeuw - Raphael, een ziekelijke jongeman, volgt een gezondheidskuur. In het hotel waar hij verblijft, ontmoet hij een jonge vrouw. Zij heeft een ernstige ziekte en is getrouwd, maar toch worden zij verliefd en kunnen niet langer zonder elkaar.
    Wanneer zij terugkeert naar Parijs, valt hun afscheid hen zwaar. Hij volgt haar naar Parijs, maar moet zelf weer vertrekken omdat het noodlot toeslaat.
  • Productinformatie
    Binding : Paperback
    Distributievorm : Boek (print, druk)
    Formaat : 145mm x 210mm
    Aantal pagina's : 176
    Uitgeverij : Niet bekend
    ISBN : Niet bekend
    Datum publicatie : 03-2014
  • Inhoudsopgave
    niet beschikbaar
  • Reviews (0 uit 0 reviews)

€ 16,45

niet beschikbaar

niet beschikbaar

2-4 werkdagen
Veilig betalen Logo
14 dagen bedenktermijn
Delen 

Fragment

De echte naam van de vriend die deze bladzijden geschreven heeft, was niet Raphael. We noemden hem vaak zo tijdens het sporten. Toen hij jong was, leek hij erg op een schilderij van een jeugdige Raphael, zoals te zien in de Barberini-galerij in Rome, in het Palazzo Pitti in Firenze, en in het museum van het Louvre. We gaven hem ook de naam omdat het karakteristieke kenmerk van zijn jeugdige karakter zijn levendige gevoel voor het mooie was in Natuur en Kunsten, - een gevoel zo intens, dat zijn geest slechts de weerspiegeling is van het ideaal, of de materiële schoonheid, verspreid in de werken van God en de mens. Dit gevoel was het gevolg van zijn keurigheid en bijna morbide gevoeligheid, - morbide, toch tot de tijd het wat afgezwakt had. Wij verwijzen naar hen die vanuit hun vurige verlangen hun land opnieuw te bezoeken, en daarom ziek zijn van heimwee. Wij zouden soms zeggen dat hij hemelziek was, waarna hij glimlachte en zei dat we gelijk hadden.
Deze liefde voor het mooie maakte hem ongelukkig; in een andere situatie zou het hem beroemd hebben gemaakt. Had hij een potlood vastgehad, hij zou de Maagd van Foligno getekend hebben. Als beeldhouwer, zou hij de Psyche van Canova gebeiteld hebben. Had hij de taal gekend waarin geluiden worden neergeschreven, zou hij over de luchtige klacht van de zeebries tussen de naalden van Italiaanse dennen geschreven hebben, of over het ademen van een slapend meisje die droomt van iemand die ze niet zal noemen. Als hij een dichter was, zou hij de stanza’s van Tasso’s “Erminia” geschreven hebben, het gesprek in het maanlicht van Shakespeare’s “Romeo en Julia,” of Byrons portret van Haidee.
Hij hield evenveel van het goede, als van het mooie, maar niet omwille van de heiligheid, hij hield er van voor diens schoonheid. Hij zou eerzuchtig geweest zijn in het dromen, hoewel hij niet ambitieus van aard was. Had hij in die antieke republieken geleefd, waar mannen hun volledige opvoeding kregen door vrijheid, waar het vrije, ongebreidelde lichaam zich ontwikkelt in zuivere lucht en open zonlicht, zou hij naar elk hoogtepunt gewerkt hebben als Caesar. Hij zou gesproken hebben als Demosthenes, en zou gestorven zijn als Cato. Maar zijn roemloze en duistere lot beperkte hem, tegen zijn wil, tot bespiegelende werkeloosheid. Had hij maar vleugels gehad om te spreiden, en geen omstuwende lucht om ze te dragen. Hij stierf jong, zijn blik overbelast door naar de toekomst te staren, en vurig de ruimte te onderzoeken waar hij nooit zou reizen.
Iedereen kent het jeugdige schilderij van Raphael wel waar ik naar verwezen heb. Het toont een jongeling van zestien, wiens gezicht wat gebleekt werd door de stralen van een Romeinse zon, maar op wiens wangen nog steeds het zachte dons van de kindertijd bloeit. Een blinkende zonnestraal lijkt te spelen op het fluweel van zijn wangen. Hij leunt met zijn elleboog op een tafel; de arm is gebogen om zijn hoofd te ondersteunen, die op de palm van de hand rust. De bewonderenswaardig gemodelleerde vingers hebben een lichte afdruk op wang en kin achtergelaten; de delicate mond is bedachtzaam en zwaarmoedig; de neus is slank bij de brug, ietwat getint met blauw, alsof de azuren aderen door de blanke transparantie van de huid schijnt. De ogen zijn van die donkere hemelse tint die door de Apennijnen gedragen wordt bij het aanbreken van de morgen, en zij staren ernstig naar voren, maar zijn een beetje naar de hemel opgeslagen alsof zij altijd hoger kijken dan de Natuur. Een vloeibare glans verlicht hun meest innerlijke dieptes, zoals stralen oplossen in dauw of tranen. Op het nauwelijks gewelfde voorhoofd, zien we de spieren onder de delicate huid, de slapen lijken te kloppen van overpeinzing; het oor lijkt te luisteren; het donkere haar, zonder vaardigheid geknipt door een zus of een jonge gezel uit de studio, gooit een schaduw op de hand en de wang; en een klein mutsje van zwart fluweel, op het hoofd geplaatst, kleurt het voorhoofd. Men kan dit schilderij niet voorbijgaan zonder droevig te mijmeren, zonder dat men weet waarom. Het toont de mijmeringen van een jeugdig genie dat wacht op de drempel van het lot. Wat zal het lot zijn van die ziel die wacht aan de poort van het leven?
Voeg in gedachten zes jaar toe aan de leeftijd van die dromende jongen; beeld in dat de kenmerken verscherpt zijn, de teint meer gebronsd; plaats enkele rimpels op het voorhoofd, verduister de blik een beetje, maak de lippen droeviger, geef wat lengte aan de figuur, en toon de spieren in scherper reliëf. Wissel de Italiaanse kledij uit de dagen van Leo X voor het sombere en eenvoudige uniform van een jongeling opgevoed in de eenvoud van een landelijk leven, die geen elegantie zoekt in kledij. En, als de nadenkende en lome houding behouden blijft, kom je tot de opvallende gelijkenis van onze “Raphael” op de leeftijd van tweeëntwintig.
Hij was van een arme, maar oude familie, uit de bergachtige provincie Forez. Zijn vader, wiens enige waardigheid bestond uit zijn eer (alle andere waardig), had, zoals de edelen uit Spanje, het zwaard voor de ploeg geruild. Zijn moeder, nog jong en mooi, leek wel zijn zuster, zo leken zij op elkaar. Zij was opgevoed tussen de luxueuze netheid van een kapitaal; en als de zwoele geur van rozen uit de kristallen vaas van het vrouwenverblijf waarin het eens bewaard werd, zo wist zij ook de geurige lucht van beleefdheden en taal te bewaren zodat deze nooit volledig vervliegt.
In de afgelegen bergen van haar geboortestrek, met de geliefde echtgenoot van haar keuze, en met haar kinderen in wie zij fijntjes alle trots van haar moederlijke hart had geconcentreerd, had zij van niets spijt. Zij sloot het mooie boek van de jeugd met drie woorden, “God, echtgenoot, kinderen.” Vooral Raphael was haar meest geliefde. Zij zou voor hem een koninklijke lotsbestemming gekocht hebben, maar helaas, zij had alleen haar hart waarmee ze hem kon opvoeden. Het kleine fortuin, en hun dromen van voorspoed, zouden altijd en heel snel afbrokkelen onder de hand van het lot, tot aan de funderingen toe.
Twee heilige mannen werden door vervolging naar de bergen gedreven en hadden nel na de Terreur hun toevlucht gevonden in haar huis. Als leden van een mystieke religieuze sekte die vaag een vernieuwing van die tijd voorspelde, werden zij vervolgd. Raphael was toen nog een kind, maar zij hielden van hem. Duister werd zijn lot voorspeld en zijn ster in de hemel aangewezen. Zij vertelden zijn moeder over haar zoon te waken met heel haar hart. Zij was erg vroom en bedacht dat ze veel te goedgelovig was, maar toch geloofde ze het. Een moeder kan toch zo goedgelovig zijn in zulke zaken! Deze goedgelovigheid steunde haar in vele moeilijkheden en spoorde haar aan zich in te zetten voor Raphaels opvoeding, veel meer dan haar middelen toelieten. Uiteindelijk werd zij erdoor misleid.
Ik kende Raphael sinds zijn twaalf jaar, en op zijn moeder na hield hij het meeste van mij in deze wereld. Wij hadden elkaar ontmoet na het beëindigen van onze studies, eerst in Parijs, daarna in Rome, waar hij door een familielid van zijn vader naartoe genomen was om manuscripten in de Vaticaanse Bibliotheek te kopiëren. Daar leerde hij de hartstochtelijke taal en het genie van Italië. Hij sprak beter Italiaans dan zijn moedertaal. ’s Avonds zat hij onder de pijnbomen van de Villa Pamphili, en keek naar de ondergaande zon en op de witte fragmenten die verspreid waren over het plein, zoals de gebleekte beenderen van verdwenen Rome. Voor de vuist weg zei hij stanza’s op die ons deden huilen, maar hij schreef ze nooit neer. “Raphael,” zei ik soms, “waarom schrijf je niet?”
“Ah,” antwoordde hij dan, “schrijft de wind neer wat hij in dit harmonieuze baldakijn van gebladerte zucht? Schrijft de zee over het huilen van de kusten? Niets dat geschreven werd is echt, echt mooi, en het hart van een man onthult nooit zijn beste en meest goddelijke deel. Dat is onmogelijk! Het instrument is van vlees, en de noten zijn van vuur! Tussen wat gevoeld wordt en wat uitgedrukt wordt,” voegde hij treurig toe, “ligt dezelfde afstand als tussen de ziel en de zesentwintig letters van een alfabet, een immense afstand! Denk je dat een panfluit een idee van de harmonie van de sferen kan geven?”
Ik liet hem achter om terug naar Parijs te gaan. Op dat moment probeerde hij, uit moederlijk belang, een situatie te bekomen waarin hij door een meer actief werk zijn ziel zou kunnen bevrijden van de zware last. Zo hoopte hij de drukkende last van zijn lot te verlichten. Mannen van zijn leeftijd bezochten hem, en vrouwen keken gracieus naar hem als hij hen passeerde. Maar nooit ging hij naar samenkomsten, en van alle vrouwen hield hij alleen van zijn moeder.
Plots verloren we elkaar voor drie jaar uit het oog; hoewel we later vernamen dat hij in Zwitserland, Duitsland en Savoie geweest was en dat hij in de winter ‘s nachts vele uren doorbracht op een brug, of aan een van de vele kaaien van Parijs. Hij had helemaal het voorkomen van extreme armoede. Het was pas vele jaren later dat we er meer over hoorden. We dachten steeds aan hem, hoewel hij afwezig was, want hij was één van hen die de vergeetachtigheid van vrienden kon tarten.
Toeval bracht ons na een periode van twaalf jaar weer samen. Het was zo dat ik een klein landgoed in zijn provincie had geërfd, en toen ik naar daar ging om alles te regelen, vroeg ik rond naar Raphael. Er werd mij verteld dat hij zijn vader, moeder en echtgenote verloren had in slechts enkele jaren tijd. Na deze pijnen van het hart had hij de slagen van lot moeten ondergaan. Van het domein van zijn vader bleef nu niets over dan de oude ontmantelde toren op de rand van het ravijn, de tuin, boomgaard, en grasland, met enkele aren onvruchtbaar land. Dit ploegde hij zelf met twee miserabele koeien, en was alleen te onderscheiden van zijn boerende buren door het boek dat hij met zich meedroeg naar het veld, en dat hij soms in een hand hield, terwijl de ander de ploeg leidde. Gedurende vele weken werd hij niet gezien terwijl hij zijn ellendige woonst verliet. Er werd verondersteld dat hij op één van zijn lange reizen vertrokken was, en die konden bij hem jaren duren. “Het zou zonde zijn,” werd gezegd, “want iedereen in de buurt heeft hem graag. Hij mag dan wel arm zijn, maar hij doet evenveel goed als elke rijkaard. Vele warme kledingstukken werden gemaakt met het wol van zijn schapen; ’s avonds leert hij de kleine kinderen uit de omringende gehuchten te lezen en te schrijven, of te tekenen. Hij verwarmt hen aan zijn haard en deelt zijn brood met hen, hoewel God weet dat hij niet veel overschot heeft wanneer het een slechte oogst is, zoals dit jaar.”
Zo sprak iedereen dus over Raphael. Ik wou toch graag de woonst van mijn vriend bezoeken, en werd naar de voet van de heuvel gebracht, op de top waarvan de zwarte toren stond, met eromheen schuren en stallen, te midden van een groep kastanjes. Een boomstam, die erover gelegd was, maakte het mogelijk om de bijna opgedroogde stroom in het ravijn over te steken, en ik beklom het steile pad, de losse stenen onder mijn voeten weg duwend. Twee koeien en drie schapen graasden op de kale heuvel, en werden door een oude halfblinde bediende gehoed. Gezeten op een oude stenen rozet die uit de poortboog gevallen was, vertelde hij me zijn verhaal.
Hij vertelde me dat Raphael niet weg was, maar dat hij de laatste twee maanden ziek geweest was. Het was duidelijk dat hij de toren voor niets anders zou verlaten dan het kerkhof; en de oude man wees met zijn magere hand naar de begraafplaats op de andere heuvel. Ik vroeg of ik Raphael kon zien. “Oh, ja,” zei de oude man, “ga de trap op en trek aan het koord van de klink van de deur naar de grote zaal aan je linkerkant. U vindt hem op zijn bed, zo kalm als een engel, en,” voegde hij toe terwijl hij de rug van zijn hand over zijn ogen haalde, “zo eenvoudig als een kind!” Ik beklom de steile en uitgesleten trap die langs de buitenmuur van de toren omhoog ging, en kwam uit aan een klein platform met een betegeld dak overdekt, de gebroken tegels daarvan lagen over de stenen treden verspreid. Ik duwde de klink van de deur aan mijn rechterkant omhoog en ging naar binnen. Ik zal nooit vergeten wat ik zag. De kamer was enorm, de hele ruimte tussen de vier muren van de toren innemend; het werd verlicht door twee ramen met stenen dwarsbalken, en de stoffige en gebroken ruitvormige glasvensters in lood. De enorme balken aan het plafond waren zwart van de rook, de vloer geplaveid met bakstenen, en in een hoge schoorsteen met ruwe gegroefde houten stijlen, een ijzeren ketel gevuld met aardappelen hing over een vuur, waar een lange tak brandde, of beter, rookte. De enige meubelstukken waren twee armstoelen met hoge rug, bekleed met een eenvoudig gekleurde stof, waarvan het onmogelijk was de oorspronkelijke kleur te raden; een grote tafel, half bedekt met een ongebleekt linnen tafelkleed waarin een brood verpakt was, de andere helft bedekt onder een warboel van papieren en boeken; en, als laatste, een gammel, door wormen opgegeten hemelbed, met de blauwe saaie gordijnen naar achteren gebonden om de zonnestralen toe te laten, en de lucht van een geopend raam.
Een man die nog jong was, maar verzwakt door vertering en ziekte, zat op de rand van het bed. Hij gooide kruimels naar een hele groep zwaluwen die tijdens hun vlucht rond hem draaiden.
De vogels vlogen weg bij het geluid van mijn nadering en gingen zitten op het lijstwerk in de hal of op het baldakijn van het bed. Ik herkende Raphael, bleek en dun als hij was. Zijn gezicht, hoewel niet langer jong, had niets van zijn kenmerken verloren; maar zijn beminnelijkheid was veranderd, en zijn schoonheid was nu als van het graf. Rembrandt had geen beter model kunnen wensen voor zijn “Christus in de Olijventuin.” Zijn donkere haar lag in een dikke bundel op zijn schouders en was in wanorde naar achteren gegooid, als door de vermoeide hand van de arbeider wanneer het gezweet en gezwoeg over is voor de dag. De al lang niet bijgesneden baard groeide met een natuurlijke symmetrie die de sierlijke kromming van de lippen en de omtrekken van de wangen openbaarde. Er waren nog steeds de edele trekken van de neus, de mooie en tere gelaatskleur, de peinzende en nu verzonken ogen. Zijn hemd was opengegooid op de borst en toonde zijn gespierde, hoewel verzwakte lichaamsbouw, die nog steeds majestueus had kunnen zijn, als zijn zwakte hem had toegestaan rechtop te zitten.
Hij herkende mij onmiddellijk, deed een stap naar voren met uitgestoken armen, en viel terug op het bed. Eerst huilden we, waarna we samen praatten. Hij vertelde over het verleden; hoe, toen hij dacht de bloemen of de vruchten van het leven te plukken, zijn hoop steeds weer ontsierd werd door ongeluk of door de dood, - het verlies van zijn vader, moeder, vrouw, en kind; zijn geldreserves, en de gedwongen verkoop van zijn voorouderlijk domein. Hij vertelde hoe hij zich terugtrok in dit huis, deze ruïne. Hij had geen ander gezelschap dan die van zijn moeders oude herder, die hem diende zonder betaald te worden, uit liefde voor zijn huis; en uiteindelijk sprak hij van de verterende loomheid die hem zou wegvagen met de herfstbladeren, en hem op het kerkhof zou leggen naast hen die hij zo had liefgehad. Zijn sterke verbeelding kon zelfs in de dood goed zien, en in gedachten hield hij er van om met een fantasierijk medegevoel het gras en de bloemen die op zijn graf zouden bloeien te voeden.
“Weet je wat mij het meest verdriet doet?” zei hij, naar het groepje kleine vogels wijzend die rond de top van zijn bed waren neergestreken. “Het idee dat de volgende lente deze arme kleintjes, mijn laatste vrienden, mij tevergeefs zullen zoeken in de toren. Zij zullen niet langer de gebroken vensters vinden langs waar zij naar binnen vliegen; en op de vloer de kleine plukjes wol uit mijn matras waar zij hun nesten mee bouwen. Maar de oude verpleegster, aan wie ik dit beetje, alles, nalaat, zal voor hen zorgen zolang zij leeft,” ging hij verder, als om zichzelf te troosten met dit idee, “en na haar – Nou, dan zal God het doen; want Hij voedt de jonge raven.”
Hij leek ontroerd terwijl hij sprak over deze kleine wezentjes. Het was gemakkelijk te zien dat hij lang verstoken was van menselijk medeleven, en dat de fijngevoeligheid van zijn ziel nu overgedragen werd naar stomme dieren. “Ga je enige tijd in onze bergen doorbrengen?” vroeg hij. “Ja,” antwoordde ik. “Zoveel te beter,” voegde hij toe, “jij zult mijn ogen sluiten en ervoor zorgen dat mijn graf zo dicht als mogelijk gegraven wordt bij mijn moeder, vrouw en kind.”
Hierna smeekte hij me een grote kist van gesneden hout naar hem te brengen, die verborgen was onder een zak maïs aan het ene einde van de kamer. Ik plaatste de kist op het bed en hij trok er een hoeveelheid papieren uit die hij stilletjes in stukjes scheurde. Dat duurde wel een half uur, waarna hij aan zijn oude verpleegster vroeg deze in het vuur te vegen. Er waren verzen in vele talen en ontelbare pagina’s vol fragmenten, gescheiden met data, als aantekeningen. “Waarom verbrand je dit allemaal,” vroeg ik verlegen, “heeft een man niet zowel een moraal als een materiële erfenis na te laten aan hen die na hem komen? Je vernietigt misschien wel gedachten en gevoelens die de ziel kunnen doen opleven.”
“Maakt het iets uit?” zei hij. “Er zijn genoeg tranen in deze wereld, en we moeten er niet nog meer in de harten van de mensen uitstrooien. Deze,” zei hij, zijn verzen tonend, “zijn de afdankertjes, nutteloze veren van mijn ziel; er is sindsdien geknipt, en mijn ziel heeft zijn afgetekende vleugels naar de eeuwigheid uitgespreid!” Daarna ging hij verder ze te verbranden en te vernietigen, terwijl ik uit het gebroken raam keek naar het sombere landschap.
Tenslotte riep hij me nogmaals naar zijn bed. “Hier,” zei hij, “bewaar dit kleine manuscript, waar ik de moed niet toe heb het te verbranden. Wanneer ik er niet meer ben, zou mijn arme verpleegster er zakken voor haar zaad mee maken, en ik wil niet dat de naam die deze bladzijden vult, ontheiligd wordt. Neem het mee, en bewaar het tot je hoort dat ik er niet meer ben. Na mijn dood mag je het verbranden, of het bewaren tot je oud bent, om soms aan mij te denken wanneer je het bekijkt.”
Ik verborg de rol papier onder mijn mantel en vertrok, mij innerlijk voornemend de volgende dag terug te keren om de laatste momenten van Raphael te vergemakkelijken door hem te verzorgen en vriendelijke verhalen te vertellen. Terwijl ik de trap afdaalde, zag ik ongeveer twintig kleine kinderen met hun houten klompen in hun handen. Zij waren gekomen om zijn lessen te volgen, zelfs op zijn sterfbed. Een beetje verder ontmoette ik de dorpspriester die de avond bij hem ging doorbrengen. Ik boog respectvol, en terwijl hij mijn gezwollen ogen opmerkte, begroette hij mij met een houding van treurig medeleven.
De volgende dag keerde ik terug naar de toren. Raphael was die nacht gestorven en de dorpsklok werd al voor zijn begrafenis geluid. Vrouwen en kinderen stonden aan hun deur, treurig in de richting van de toren kijkend, en in het kleine groene veld naast de kerk waren twee mannen, met spaden en houweel, een graf aan het graven aan de voet van een kruis.
Ik ging naar de deur. Een wolk van kwetterende zwaluwen vloog rond de open ramen, naar binnen en buiten vliegend, alsof plunderaars hun nesten hadden leeggeroofd.
Sindsdien heb ik deze bladzijden gelezen, en nu weet ik waarom hij er zo van hield omgeven te zijn door deze vogels, en welke herinneringen in hem waarden, zelfs tot zijn sterfdag. ×
SERVICE
Contact
 
Vragen