Fragment
‘Toe maar Bertje-Bertje,’ zei ik, wetend hoezeer hij van zachte gesprekjes hield. Zo lagen we midden in de huiskamer met het supersnelle internet. Naast elkaar, voorzichtig aaien, niet te stevig, niet te zacht, de spanning hing nog in de lucht, we moesten bijkomen van het bezoek, die andere stem en geur, het gedoe met de kabels, we waren opeens niet meer gewoon samen geweest door die ander erbij en nu was het voorbij, zeker weten.
‘Goed gedaan hoor, Bert.’
‘Ja, echt waar.’
‘Ik vond het ook moeilijk.’
‘Maar jij bleef achter de kastjes, dat was heel verstandig van je. Ik ben heel tevreden over je.’
Geleidelijk was Bert rustiger geworden en ik ook. Hij knorde wat, een goed teken. Daarna werd het regelmatiger en daarna viel hij stil, diep in de ontspanning. Ik hield op met aaien. Nu was samen naast elkaar liggen genoeg.
Ik dacht na over zijn veilige plek, helemaal zelf gevonden, net zoals indertijd Tim zijn veilige plek onder het fornuis had gevonden, waar hij als klein formaat kater net onder paste. En ik, dacht ik toen, waar heb ik zo'n veilige plek eigenlijk. Een antwoord op die vraag vond ik niet. Ja, in huis, achter de gesloten voordeur; en toch lag ik soms wakker omdat ik een griezelig geluid hoorde. Dan wenste ik getrouwd te zijn met een sterke man die ging kijken. Door Bert moest ik zelf die man zijn, degene die enge geluiden en monteurs de baas was. Want hij vertrouwde op mij.
Fragment uit: 6 Achter de kastjes
×