Fragment
NAGELE, TWEEDE HELFT VAN DE ZOMER VAN 1956
De zon was al aan het zakken en scheen laag over de uitgestrekte poldergronden.
De tarwe stond nog op het veld en de meidoorns zwaaiden lichtjes heen en weer in de avondwind. Mussen sjirpten en zwaluwen scheerden laag over de kaarsrechte sloten.
We hadden het kale dorp met de 72 huizen achter ons gelaten, waren langs het vliegtuigwrak gefietst, en zaten nu op onze knieën in de dijk te graven.
Op de plaats waar die man vanmiddag bezig was geweest.
Wat had hij er gevonden? Was het een schat? Zouden we dan toch de resten van het oude Nagele gevonden hebben? Het dorp dat was verzwolgen door de Zuiderzee, nadat er lang geleden een vloek over was uitgesproken…?
Dát wilden we graag vinden, maar het leek of we op iets anders stuitten.
Pieter zag het als eerste en deinsde achteruit. En op dat moment viel er een schaduw over ons heen…
×