Fragment
“Opa, veel plezier op de fiets”. Ik zit in de trein naar Zwolle als ik op mijn telefoon dit lieve bericht krijg. Julie, amper 3 jaar oud maar in die 3 jaar heeft ze al heel vaak bij opa voorop de fiets gezeten. Alles om haar heen al in zich opnemen, bijna non-stop liedjes zingend. “Opa, veel plezier op de fiets”. Fietsen, reizen, plezier hebben. En dat al generaties lang. Het is niet toevallig dan Julie haar opa dit wenst. Ik ben namelijk begonnen aan een fietsreis, een herhaling van de fietsreis die míjn opa precies honderd jaar geleden maakte. Een fietsreis die hij tot in detail heeft beschreven. Hij heeft er zelfs een handgeschreven boekje van gemaakt. De Roode Olifant. Een paar jaar geleden kreeg ik dit boekje van mijn zus Marianne. Ik wist van het bestaan ervan maar had het nog nooit gezien. In het proces van leegruimen van het huis van onze vader was Marianne op dit boekje gestuit en had het met interesse gelezen. “Net wat voor jou Hans”, meldde ze toen ze het aan mij gaf. En inderdaad, precies wat voor mij. Ik was de afgelopen jaren zelf al een paar keer op een fietsreis geweest, een gewone fiets, tassen eraan hangen, tentje mee, dat soort reis. En met een maatje. Dat maatje opperde ooit op zijn verjaardag dat hij in een ver verleden met een busje naar de Noordkaap was gereden en er sindsdien over had gedacht dat ooit nog eens op de fiets te doen. Nou, doen we dat toch, was mijn reactie, me niet helemaal realiserend waar dat dan was die Noordkaap. Enfin, samen gedaan, gehaald, en vervolgens de smaak te pakken gekregen. Sindsdien meerdere zogenaamde lange-fiets-reizen gemaakt. Dus toen Marianne het boekje De Roode Olifant had gelezen was haar gedachte terecht, “hé, net wat voor Hans”!
Mietje wordt in 1768 in Amsterdam geboren als dochter van Jan Matto en Heintje Lindeman. Ja, werkelijk, in de register staat zij opgeschreven als Mietje, haar zusjes hebben vergelijkbare verkleinnamen. Pas véél later zal Mietje zich wel eens Maria laten noemen, of in ieder geval vind je ook die naam terug in latere documenten. Maar ze wordt door haar vader Jan en moeder Heintje als Mietje gedoopt. Jan en Heintje trouwen jong en krijgen elke twee jaar wel een kind. Mietje is de vijfde. Het gezin woonde bij de Grimnesse-sluis, de panden uit die tijd staan er nog steeds. Op oude afbeeldingen zie je hoog opgebouwde huizen waarin meerdere families konden wonen. Waarschijnlijk had elke familie slechts één of hooguit twee kamers tot zijn beschikking. In welke van die huizen Mietjes familie woonde is niet duidelijk, wel staat in haar trouwaankondiging dat het op de hoek van de Nes en de Grimnessesluis was. Vrijwel alle panden stonden aan het water, vochtig en tochtig. Water om te drinken en te koken moest gehaald worden, stromend water en riolering bestonden nog niet.
De gebouwen staan er dus nog. Wel is het eromheen heel erg veranderd. Het Rokin, om de hoek, was een transportgracht. Nu is die ter hoogte van de Grimnessesluis gedempt, maar dat is pas zo sinds het begin van de 20e eeuw. Daarvoor liep het water helemaal door tot aan het Damrak. Vanaf de Amstel kon tot aan de Dam doorgevaren worden. Via een sluis zelfs door naar het Damrak en de haven op de plaats van waar nu het Centraal Station staat. Het eerste beursgebouw uit de 17e eeuw werd zelfs op palen over het water gebouwd zodat schepen er onder door konden varen. Dit alles dus in een tijd dat vrijwel alle aanvoer van goederen over water plaatsvond. En er dus vanaf de kades transport moest plaatsvinden naar alle andere delen van de stad. Mietjes vader was één van die transporteurs.
Vader Jan was kruier. Kruiers trokken kruiwagens, een beroepsgroep die al eeuwen bestond. En ook al heel lang gereguleerd werd. Zo werd het in 1634 in Amsterdam al verboden met kruiwagens en manden op bruggen of langs straten te staan met allerlei koopwaar. In 1640 werd bepaald dat kruiers de lege kruiwagens niet mochten duwen maar voort moesten trekken, wat minder gevaarlijk voor derden zou zijn. In 1663 werd een verbod uitgevaardigd om nog kruiwagens met twee wielen te gebruiken. Van af dat moment mochten alleen kruiwagens gebruikt worden met één onbeslagen wiel op straffe van verbeurdverklaring van tweewielige kruiwagens en een boete van zes gulden. Zes gulden was echt héél wat, meer dan een maand loon. Naast degenen, die er hun beroep van maakten om allerlei vrachten voor derden te vervoeren, waren er ook die met het vervoer van specifieke goederen waren belast. Het zou zomaar kunnen dat vader Jan zich ook had gespecialiseerd. Enkele van zijn kinderen zijn namelijk “het leer in gegaan”. Leer en huiden werden vanuit het binnenland aangevoerd en veelal doorgekruid naar de Jordaan. Daar was een concentratie van leerlooiers. De herinneringen daaraan vind je nog terug in de straat namen. Denk aan de Looiersgracht en de verschillende Looiersdwarsstraten. (Zelfs de Passeerdersgracht dankt zijn naam aan de stank die samenging met het leerlooien. Snel hier voorbij was het credo daar.) Enkele van Jans’ kinderen zijn in die branche verzeild geraakt. Misschien wel via Jans’ relaties. Zeker in die tijd moest je het van kruiwagens hebben.
×