€ 27,00

ePUB ebook

niet beschikbaar

PDF ebook

niet beschikbaar

Meer van deze auteur

  • Cover Excuseer mijnheer maar u bestaat niet meer
    Excuseer mijnheer maar u bestaat niet meer
  • Cover Concentratiekamp Europa
    Concentratiekamp Europa

Trans-atheïsme. De metafysica van het Lam

een verrijzenis uit het hedendaags materialisme

Jan Bauwens • Boek • paperback

  • Samenvatting
    Het christendom beleeft moeilijke tijden in het geseculariseerde westen. Enkel door macht en modes gestuurde media, die echter alle terreinen van het denken en handelen dreigen te monopoliseren, trachten de 'tegenstelling tussen rede en geloof' als een feit te verkopen, en de keuze tussen deze twee als een plicht voor te stellen. Daarbij achten zij zichzelf de vertegenwoordigers van de rede, terwijl zij er alles aan doen om het geloof af te schilderen als onredelijk, voorbijgestreefd, maar dankzij het liberalisme nog net tolereerbaar in de privésfeer, naast vele andere curieuze preferenties.
    Een nuchtere, rationele analyse brengt echter aan het licht dat een van geloof verstoken rede met zichzelf in tegenspraak is, en blind, terwijl het geloof zelf het noodzakelijke draagvlak van de rede is. De miskenning van deze waarheid schaadt niet alleen het christendom, maar ook de ganse cultuur die er door gedragen wordt. De rationaliteit zelf wordt op de helling gezet en binnen de kortste keren wordt al het even waardevolle als weerloze afgevoerd.
    Wij beseffen dat het leven alles is wat moet worden verdedigd: het eigen leven, maar meer nog dat van onze geliefden. Wij vechten voor het leven van onze geliefden, met het eigen leven als inzet. Deden wij dat niet, dan zou de liefde, de liefde niet zijn. Dat levenslange engagement maakt onze arbeid tot een grote vreugde. Zo offeren wij het leven aan de liefde, zonder welke het leven zinloos is. Zoals het leven zich verhoudt tot het levenloze, zo verhoudt zich de liefde tot het leven. Zoals het leven de zin is van de stof, zo ook geeft de liefde aan het leven zin. Trans-atheïsme is bedoeld als een kritische reis. Het vertrekpunt is het hedendaags atheïstisch materialisme. Een rationele bevraging daarvan brengt ons op een onverhoopte maar even rationele weg die leidt naar wat de rede overstijgt. In het doorprikken van het 'zichtbare', wordt tevens de verborgen dimensie van 'het onzichtbare' aan het licht gebracht: de metafysica van het Lam.
    Het eerste deel analyseert het hedendaagse materialisme en bespreekt het mensbeeld van Etienne Vermeersch, dat wellicht exemplarisch is voor het atheïsme van de jongste decennia in Vlaanderen. Het tweede deel biedt een alternatief aan: christelijk geïnspireerde metafysica, opgebouwd vanuit de werkelijkheid van het lijden. Het derde deel behandelt het heilsmysterie van Christus.
    Met een strikt rationele benadering van het christendom hoopt de auteur als filosoof tegemoet te komen aan een dringende nood van deze tijd.
  • Productinformatie
    Binding : Paperback
    Distributievorm : Boek (print, druk)
    Formaat : 145mm x 210mm
    Aantal pagina's : 1020
    Uitgeverij : Jan Bauwens
    ISBN : 9090171819
    Datum publicatie : 07-2003
  • Inhoudsopgave
    INHOUD
    ALGEMENE INLEIDING 27
    I. Een kritische analyse van het hedendaagse materialisme 36
    Inleiding tot het eerste deel: het materialisme 37
    I.1. Materialisme 42
    A. Omschrijving 43
    B. Kenmerken 45
    C. Bespreking 46
    1. De verleiding van het materialisme 46
    2. De zijnsorde op haar kop 49
    3. Een naïeve projectie 50
    4. De verabsolutering van de kennis 54
    5. Het alibi voor immoraliteit 57
    6. De aanslag op het denken 58
    7. Het positivisme als regressie naar het mythische denken 59
    Samenvatting deel I.1. 64
    I.2. Materialisme en wetenschap 65
    A. Beschrijving 66
    1. Een wereldbeeld naar het wetenschappelijk model 66
    2. Reductionisme 70
    B. Bespreking 74
    1. Van ‘zekerheid’ naar fanatisme 74
    2. Intransitiviteit, circulariteit en contradictie in micro-reductie en consiliëntie 79
    3. Toeval bestaat niet en de mens is niet contingent 83
    4. Gedesubjectiveerde formele systemen en de signifische kritiek 86
    5. Ethische implicaties van het empirisme 91
    Samenvatting deel I.2. 92
    I.3. Materialisme en mensbeeld 93
    Inleiding: de mens als golem 93
    A. Synthese 94
    B. Bespreking 123
    1. Kennis en kenner 124
    2. Kennen is kunnen? 129
    3. De ‘expert’ 131
    4. De ‘externe observator’ 134
    5. Het falsificatiecriterium 136
    6. Het (energetisch-materieel) substraat, de vorm en de waarnemer 139
    7. Vervangbare teleologische verklaringen? 142
    8. Een ‘fysisch bewustzijn’? 144
    9. Geen wezenlijk verschil tussen mensen, machines en maatschappijen? 145
    10. Definiëren en construeren: nogmaals de naïeve projectie 153
    11. Het primaat van het denken op het gedachte 154
    12. De regel van Lloyd-Morgan 155
    13. Structuurovereenkomst is iets immaterieel 155
    14. Vermeersch’ cultuurbegrip 156
    15. Experimentele psychologie en kennistheorie 161
    16. De zekerheid van de formele technieken 162
    17. De zekerheid van de empirische wetenschappen 162
    18. Bewustzijn en zelfbewustzijn 163
    19. Het Subject is niet reduceerbaar tot Object 164
    20. Waarom de mens niet namaakbaar is 167
    21. De irrelevante 'vormenleer-esthetica' 170
    C. Aanvulling: Rationaliteit, Vrijheid en Creativiteit 176
    1. Rationaliteit 177
    (a) De beperkte rationaliteit 178
    (b) De scheppende rationaliteit 179
    2. Vrijheid 182
    (a) Eerste stelling: vrijheid is steeds de vrijheid van een subject 183
    (1°) ‘Gedepersonaliseerde vrijheid’ - een illusie. 183
    (2°) Subject en object van bewustzijn. 184
    (3°) Handelen en gebeuren. 185
    (4°) Projectie. 186
    (5°) Identiteit en verantwoording. 187
    (6°) Transformatie en convocatie. 188
    (7°) Subjectieve vrijheid. 191
    (8°) Essentie en existentie. 192
    (9°) Besluit. 196
    (b) Tweede stelling: vrijheid is noodzakelijk keuzevrijheid 199
    (c) Derde stelling: vrijheid is zelfdeterminatie 203
    (d) Vierde Stelling: Vrijheid en rationaliteit 206
    (e) Het concept ‘vrijheid’, opgevat als ‘correct anticipatievermogen’, faalt 207
    (f) Vrije selectie 209
    (g) Alleen de onvrijheid is factisch 211
    (h) Vrijheid als creatieve act 211
    (i) Vrijheid en het vermogen om te spelen met de tijd 213
    De mens kan zijn determinanten opheffen. 214
    De mens kan wachten. 214
    3. Het tekort van het Darwinisme 215
    4. Determinisme, teleologie, vrijheid en zin 217
    Samenvatting deel I.3.C. 223
    I.4. De onmogelijkheid van een neutrale metafysica 224
    1. Whiteheads proposities 225
    2. Een analyse van deze proposities 226
    3. Een tweede werkwijze 227
    4. Conclusie 228
    5. Gewaarwordingen en Waarnemingen 229
    6. Waarnemen gaat vooraf aan gewaarworden 229
    7. Een schets van ons alternatief 230
    Eerste stelling bij I.4.7.: Het is inherent aan het levend organisme dat het tot bewustzijn leidt. 233
    Tweede stelling bij I.4.7.: De bewustwording van de betekenis van een woord vraagt niet meer denkwerk dan de bewustwording van een zintuiglijke gewaarwording. 236
    Derde stelling bij I.4.7.: Het is zijn (mogelijke) betekenis die maakt dat een ding in ons bewustzijn verschijnt. 237
    Samenvatting deel I.4. 240
    Conclusies bij het eerste deel 241
    II. Een christelijk geïnspireerde metafysica als alternatief 245
    Inleiding 245
    (Grond)stellingen 252
    (Grond)stelling 1. De liefde is pas mogelijk mits het vertrouwen. 254
    (Grond)stelling 2. De goddelijke liefde toont zich aan ons als een vertrouwen, in het feit dat God z’n hele schepping binnen het bewustzijn van de mens heeft gelegd. Met andere woorden: de werkelijkheid is een geschenk van God aan de mens. 256
    2.1. Er is geen werkelijkheid buiten alle bewustzijn om. Met andere woorden: het objectivisme is verwerpelijk. 257
    2.1.1. Het object van de waarneming is geen ding maar een zin. 258
    2.1.2. De ultieme zin is een gegeven zin: het is de liefde, die ook zin geeft aan het lijden en de dood. 263
    2.1.3. De gegeven zin heeft een einddoel. 269
    2.1.4. De zin van het bestaan wordt voltooid door de trouw, niet door de kennis (- zie ook stellingen 6 en 31). 273
    2.1.5. De meest waarachtige waarneming is de waarneming van de hoogste betekenispatronen. 284
    2.2. Het solipsisme is contradictorisch. Met andere woorden: het subjectivisme is verwerpelijk. 295
    2.3. Besluit: bekrachtiging van (grond)stelling 2: de werkelijkheid is een geschenk van God aan de mens. 297
    Hoofdlijnen van het betoog 298
    II.1. Een eerste uitgangspunt: een analyse van de introspectieve ervaring van het lijden 301
    Inleiding 301
    A. De Externe Orde 306
    Stelling 3. Het leed is de mogelijkheidsvoorwaarde voor bewustzijn en werkelijkheid. 306
    3.1. Objectieve oordelen zijn mogelijk. 307
    3.2. De miskenning van de externe orde ‘buiten ons’, schaadt (of doodt) ons lichaam. 308
    3.3. De miskenning van de externe orde ‘binnen ons’, schaadt (of doodt) onze ziel. 310
    3.4. De Externe Orde fundeert het Subject. 311
    3.4.1. Het kwaad ligt in de miskenning van de externe orde. 311
    3.4.2. De straf voor de misdaad, is de toestand van ‘probleemloosheid’ of zelfverlies. 312
    3.4.3. De moordenaar miskent zijn daadkracht, en zo ook zijn bestaan. 313
    3.4.4. De miskenning van de externe orde is geen vergissing, maar een bewuste daad. 313
    B. Het transcendent transformatieproces 314
    Stelling 4. Het subject is wezenlijk verbonden met de externe orde in een transformatieproces. 315
    4.1. Het ‘ik’ is een bewust streven, bepaald door de externe orde. 316
    4.2. Alle wezens zijn onderling verbonden door de externe orde, middels het transformatieproces. 317
    Stelling 5. De externe orde is oneindig. 318
    5.1. De elementen van een verzameling worden geconstitueerd door een (gemeenschappelijke) specifieke eigenschap. 318
    5.2. We kunnen het deel niet begrijpen, als we het niet beschouwen als een deel van het geheel. 318
    5.3. Het subject heeft zijn eindigheid te danken aan de oneindigheid van de externe orde. 319
    Stelling 6. De mens bereikt zijn doel niet door kennis maar wel door moreel goed gedrag (- zie ook stellingen 2.1.4. en 31). 320
    Stelling 7. Het transformatieproces verandert het wezen van het subject. 320
    C. De facticiteit van geluk en ongeluk 321
    Stelling 8. Het feit dat mensen bezorgd zijn voor de gevolgen van hun daden, ook als die na hun dood komen, getuigt van een realiteit die de tijd transcendeert. 321
    8.1. De stervende heeft zijn (on)geluk te danken aan zijn herinneringen. 322
    8.2. De (on)gelukkig makende herinneringen zijn de nagalm van intenties. 322
    8.3. Iemands dankbaarheid slaat op de intentie van de weldoener. 323
    8.4. De goede intentie is de wil om het goede te realiseren. 324
    8.5. Daden wegen intenties, intenties constitueren het (on)geluk. 325
    8.6. Het verband tussen intenties en geluk is introspectief verifieerbaar. 326
    8.7. De eigen intentie wordt gekend door de eigen daad. 328
    8.8. Ethiek is een streven waaraan het kennen ondergeschikt is. 329
    Stelling 9. Geluk is, per definitie, die toestand die we willen; ongeluk is, per definitie, die toestand die we niet willen. 330
    9.1. De ongelukkige is diegene die iets wil dat hij niet kàn willen. 330
    Stelling 10. De ervaring van het lijden dwingt ons tot de erkenning van het bestaan van de wil. 330
    Stelling 11. Uit de negativiteit van het voelen, komt het denken voort, en uit de negativiteit van het denken, komt het willen voort. 330
    Stelling 12. Het handelen slaat de brug tussen de externe en de interne of subjectieve werkelijkheid van het bewustzijn. 331
    Stelling 13. Uit de negativiteit van het willen, komt het kiezen voort. 332
    Stelling 14. Men kan willen wat men niet wil, omdat men op verschillende momenten kan kiezen omtrent hetzelfde (- bijvoorbeeld omtrent het geluk). 332
    Stelling 15. Het ongeluk resulteert uit de ontkenning van de eigen heteronomie. 332
    Stelling 16. Er is geen autonomie mogelijk zonder heteronomie. 335
    D. Het Licht van de Externe Orde 336
    Stelling 17. Alleen de goede handelingen, dit wil zeggen: die handelingen die geschieden overeenkomstig de externe orde, hebben kracht van bestaan. De boze is het slachtoffer van zijn eigen kwaad. 337
    Stelling 18. Alles bestaat in het licht van de externe orde. Wat zich aan de externe orde, aan de Wet, tracht te onttrekken, vergaat, net zoals tekens vergaan die geen betekenis dragen. 338
    Stelling 19. Het goede noemen we de kwaliteit van het handelen dat volgens de Wet geschiedt. Dit specifieke streven binnen het handelen blijft aan de kennis van derden onttrokken - het kan alleen introspectief worden gekend (- geweten -) of gewild. 339
    Stelling 20. Zijn en Bewustzijn impliceren elkaar. 340
    Stelling 21. Zijn en Bewustzijn ontspringen aan het Leven zelf. 342
    E. Causaliteit 345
    Stelling 22. Causaal denken is verengd denken. 345
    22.1. Het formuleren van wetten als objectieve wetten (wetten met uitsluiting van het subject) is ethisch ongeoorloofd. 348
    22.2. Oorzakelijkheidswetten zijn mogelijkheden welke hun manifestaties danken aan subjecten. Subjecten op hun beurt veroorzaken niet doch ze actualiseren oorzakelijkheidskettingen. 353
    22.3. Het oorzakelijkheidsdenken berust op een denkfout die het deelt met het logisch positivisme, namelijk de opvatting dat de werkelijkheid een constructie zou zijn. 359
    22.4. Het causaliteitsbegrip moet subjectbetrokken zijn. 361
    Stelling 23. De moraliteit is ontisch primordiaal op de causaliteit. 362
    23.1. Onze kennis van de uitwendige werkelijkheid refereert noodzakelijk naar onze lichamelijke en geestelijke ervaringen. 362
    23.2. Het oorzakelijkheidsdenken volgt uit de onterechte inductie van de subjectieve wil in de dingen. 363
    23.2.1. Het oorzakelijkheidsdenken is een afgeleide van de existentiële betrokkenheid van het subject bij de externe orde. Deze existentiële betrokkenheid is de (subjectieve) waardering. 364
    23.2.2. De (subjectieve) waardering (dit is dus: de existentiële betrokkenheid van het subject bij de externe orde) wordt veroorzaakt door de feitelijkheid van het lijden. 365
    23.2.3. Er is geen oorzakelijkheidsdenken mogelijk zonder de subjectieve (keuze)vrijheid. 365
    23.2.4. Een waar oorzakelijkheidsverband betekent niet een objectief verband, maar wel een door het subject (op straffe van zijn lijden en zijn dood, en dus: op straffe van de ondermijning van zijn bestaanscondities) aanvaard en dus gekend verband. 366
    23.2.5. De causaliteitswet wordt aanvaard wegens het existentieel verband tussen niet-kennen en lijden, of tussen kennis en leven. 368
    23.2.6. Via het lijden verbindt de kennis het interne met de externe orde, wat de mogelijkheidsvoorwaarde is voor (de participatie van het subject aan) de werkelijkheid. 369
    23.2.7. De kennis van de externe orde is noodzakelijk onvolkomen: zij heeft een voorlopigheidskarakter maar zij evolueert naar volkomenheid toe. 370
    23.2.8. De subjectieve handelingsmogelijkheden zijn de voorwaarden voor de mogelijkheid van de wet. 371
    23.2.9. Elke wet ontleent haar relevantie aan haar ethische dimensie. 373
    F. Leven 373
    Stelling 24. Het leven is ondefinieerbaar met de klassieke middelen. 374
    Stelling 25. Het wezen van het organisme is zijn streving. 375
    Stelling 26. De waarde heeft het primaat op de waarheid (- zie ook stelling 2.1.4). 377
    26.1. De ethische act bewijst de waarheid. 378
    26.2. Het existentiële heeft het primaat op het epistemische. 378
    Stelling 27. Waarden zijn absoluut krachtens de absolute eisen die de externe orde stelt. 380
    G. Ethisch Leven 382
    Stelling 28. Krachtens z’n handelen constitueert elkeen z’n eigen werkelijkheid (- zie ook stelling 86). 382
    Stelling 29. De niet-geconditioneerde waardering manifesteert en bewijst zich noodzakelijk in het offer van de wereld (- zie ook II.2.H). 385
    Stelling 30. Het lijden is de poort tot de liefde. 390
    Stelling 31. Zonder het goede is er geen waarheid (- zie ook stellingen 2.1.4, 6 en 54). 394
    31.1. Het goede is absoluut en teleologisch; het kwaad is uiteindelijk niet-zijn. 398
    31.1.1. Het goede is verwant met het schone. 398
    31.1.2. Het goede is een genade. 400
    31.1.3. Het kwaad is wezenlijk het op zichzelf gerichte. 404
    31.1.4. Het kwaad is de verwerping van het wezensfundament. 407
    31.1.5. De overwinning op het kwaad gebeurt noodzakelijk via het lijden en de dood. 409
    31.1.6. Het kwaad moet worden verduurd in de tijd maar het heeft geen eeuwigheidswaarde. 413
    31.1.7. Het goede realiseert zich door gevolgzaamheid, het wezen van de deugdzaamheid. 416
    31.2. Ware vrijheid is de juiste beantwoording van de door de wet gegeven vrijheid, en is daarom verzaking, verantwoordelijkheid en trouw. 417
    31.2.1. Vrijheid in de wereld is slavernij van de ziel. 417
    31.2.2. Wereldse vrijheid vereist de aanbidding van het gouden kalf; ware vrijheid is niet te koop. 419
    31.2.3. Het goede vereist het verzaken aan het wereldse: “Wie niet voor Mij is, is tegen Mij”. 422
    31.2.4. Het schuldbesef bewijst het bestaan van vrijheid en van verantwoordelijkheid. 425
    31.2.5. Vrijheid vergt bevrijding of opvoeding tot vrijheid. Opvoeding is noodzakelijk opvoeding tot vrijheid. 428
    31.2.6. Bevrijding vergt geduld: dit is meesterschap over de tijd. 430
    31.2.7. Vrijheid is de trouw aan de Wet die de werkelijkheid draagt. 433
    31.2.8. Onze vrijheid is de vrijheid tot het ontvangen van Gods vergeving. 436
    Samenvatting deel II.1. 438
    II.2. Het leed en de ziel 439
    Inleiding 439
    A. Het Handelen heeft het primaat op het Denken en op het Zijn 440
    Stelling 32. Via de overwinning van het egoïsme, wordt het egocentrisme overwonnen. 442
    Stelling 33. Het ethische wordt niet omvat door het epistemische. 444
    33.1. Uitspraken over het goede zijn impliciete beloften. 446
    33.2. Het Sollen is niet tot het Sein herleidbaar. 449
    33.2.1. Op straffe van pijn en dood(sangst) moet het subject zijn soevereiniteit opgeven en handelen. 455
    33.2.2. Waar ik afzie van de eigen preferenties in functie van de behoeftebevrediging van derden, accepteer ik de waarde van de ander als primordiale preferentie. 456
    33.2.3. De hoogste machtsuitoefening bestaat in de erkenning van de ander. 458
    B. Onze Werkelijkheid is even absoluut als onze Beperkingen 459
    Stelling 34. Onze werkelijkheid is even absoluut als onze beperkingen. 460
    34.1. Een onware conclusie van Kant. 460
    34.1.1. Het principium contradictionis behoeft ervaringskennis 460
    34.2. De fenomenologische kritiek op het objectivisme maakt zich schuldig aan hetzelfde euvel waaraan dit objectivisme ten prooi is. 465
    34.3. De ‘Lebenswelt’ is subjectief, historisch en conflictmijdend (- zie ook S: 1.14.2). 466
    34.4. De ideale ‘Lebenswelt’ is een project. 467
    34.5. Besluit: bekrachtiging van stelling 34: Onze werkelijkheid is even absoluut als onze beperkingen. 469
    C. De absolute overstijging van de werkelijkheid door het christelijke ‘lijden terwille van’ 470
    1. Het Lijden in het Denken 471
    Stelling 35. Alleen de lijdende kan relevant over het lijden denken. 472
    Stelling 36. Het lijden bewijst het bestaan van de wil. 473
    Stelling 37. Alleen het christendom kent het lijden ‘terwille van’ 474
    37.1. Schillebeeckx’ Historiek van het Lijden in het Denken 474
    37.2. Kritiek bij Schillebeeckx’ Historiek. 482
    2. De Relatie Denken-Lijden 485
    Stelling 38. In heel wat wereldbeschouwingen zijn theorie en praxis inzake het lijden discrepant. 485
    Stelling 39. Onze verantwoordelijkheid verplicht ons tot het aanvaarden van de erfzonde. 485
    Stelling 40. Het ware lijden wordt veroorzaakt door de kwade intentie. 486
    40.1. Absurd en zinvol lijden met betrekking tot de historiek. 488
    Stelling 41. Ook inzake het lijden heeft het existentiële het primaat op het epistemische. 490
    D. Lijden, Genot en Vreugde, of: het Probleem van de Ziel 492
    Stelling 42. Het bewijs van de discrepantie tussen vreugde en genot is meteen het bewijs voor het bestaan van de ziel. 492
    42.1. De ernst is een ethische imperatief. 492
    42.2. Genot en vreugde zijn wezenlijk discrepant. 493
    42.3. Omdat vreugde mogelijk is ondanks pijn, situeert zij zich buiten het lichaam - in de ziel. 494
    Stelling 43. De discrepantie tussen genot en vreugde werpt licht op het mind-body-problem. 495
    43.1. Het Mind-Bodyproblem volgens Shaffer. 497
    43.2. Kritiek op Shaffers benadering. 501
    43.2.1. Betreft de benadering in de derde persoon. 501
    43.2.2. Betreft de identity theory. 503
    43.2.3. Betreft het psycho-fysisch interactionisme. 505
    Stelling 44. Onze ziel is de drager van de ethische imperatief en het fundament van onze werkelijkheid. 506
    E. De Onsterfelijkheid van de Ziel 506
    Stelling 45. Een eindigheidsfilosofie binnen de fenomenologie is contradictorisch. 507
    Stelling 46. We bestaan niet binnen de tijd, maar de tijd is een ingrediënt van de ziel. 508
    46.1. Het subject is onherleidbaar of transcendent. Uit het monisme ontstaat een dualisme als teken van de transcendentie. 509
    46.2. De vrijheid in het Handelen transcendeert de geconditioneerdheid in het Denken en in het Zijn. 511
    46.3. “Alles wat niet gegeven is, is verloren”; wat gegeven is, is (van de dood) gered. 513
    46.4. De ethische identificatie is onderscheiden van de psychologische. 514
    Stelling 47. De ziel die aan het goede participeert is onsterfelijk. 516
    47.1. De mens is een eenheid van lichaam en ziel. 516
    47.2. Onze kennis alleen kan het probleem van lichaam en ziel niet oplossen. 518
    47.3. De ultieme betekenis van de dingen blijft voor de mens verborgen. 519
    47.4. Leven ontstaat uit leven, niet uit stof. De stof bestaat slechts in zijn dienst aan het leven. 521
    47.5. Het leven ontstaat uit de Geest. Het leven bestaat slechts in zijn dienst aan de Geest. 523
    47.6. Met de liefde, is de onsterfelijkheid een vooraf gegeven werkelijkheid. 528
    F. Van het Schuldvraagstuk naar het Identiteitsvraagstuk: Sein en Sollen 532
    Stelling 48. Met de aanvaarding van ‘objectieve schuld’ neemt de mens verantwoordelijkheid op voor zijn eigen bestaan, dat hij zich aldus toeëigent. 535
    Stelling 49. Het ontische is onderworpen aan het ethische. 539
    49.1. Het epistemische voorbij. 543
    G. Het Lijden als Noodzakelijke Voorwaarde van de Werkelijkheid 545
    Stelling 50. De feitelijkheid van het lijden is de noodzaak voor de mogelijkheid van de werkelijkheid (- zie ook stelling 3). 545
    Stelling 51. Het bestaan wordt gedragen door het streven. 547
    Stelling 52. De Vrijheid van de Wil is feitelijk. 549
    Stelling 53. De zelfhandhaving van het ethisch (vrij) individu, is relatief aan de erkenning van (de vrijheid van) de ander, en impliceert dus de verantwoordelijkheid voor (de vrijheid van) de ander. 551
    H. Het leed en de wereld 553
    Stelling 54. Alle kennis wordt gedragen door liefde; zonder liefde is kennis waardeloos (- zie ook stelling 31). 555
    Stelling 55. De mensheid verkeert in een innerlijke strijd die op gang gebracht werd door de zondeval en die geconstitueerd wordt door een specifieke keuze die zich stelt vanuit het lotgenootschap van allen (- zie ook stelling 29). 558
    Stelling 56. In onze economie draagt onze wereld het spoor van de erfzonde. 560
    Stelling 57. Het geld is het schild van het kwaad. 564
    Stelling 58. Onze economie bestraft de menselijkheid. 566
    Stelling 59. De kern van de werkelijkheid bewaart een geheim. 567
    Stelling 60. Het wantrouwen is de ‘ziel’ van het kwaad. 569
    Stelling 61. De erfzonde toont zich in het feit dat het menselijk lotgenootschap principieel het karakter van een samenzwering heeft. 573
    Stelling 62. Het lot van de Mensenzoon is dat van elke christen. 577
    I. Het wezen van het lijden 580
    Stelling 63. Omdat de liefde samenvalt met de scheppende activiteit is God de bron van alle leven. 582
    Stelling 64. De liefde is de participatie aan het lijden van Christus. Het kwaad vertekent de werkelijkheid (- zie ook stellingen 84-87). 584
    Stelling 65. De mens heeft geen zelfbeschikkingsrecht. 588
    Stelling 66. Het kwaad is geen tegenpool van het goede, want het goede is een mogelijkheidsvoorwaarde voor het kwaad. 592
    66.1. Het bestaan van de duivel wordt door God toegestaan met een specifieke zin. 596
    Stelling 67. Door de zonde manifesteert zich het niet-zijn als het bedrog (- zie ook stellingen 84-87). 597
    Stelling 68. De zondaar valt buiten de ware werkelijkheid (- zie ook stellingen 84-87). 601
    Stelling 69. Het lijden is een genade. 605
    Stelling 70. Het lijden ‘terwille van’ opent een nieuwe dimensie van de werkelijkheid. 608
    Stelling 71. Het ware inzicht is de vrucht van persoonlijk engagement 611
    Stelling 72. De hele werkelijkheid is een goddelijke verlossende tegemoetkoming aan de mens. Het leed beoogt ons de waarheid te doen voelen waar wij vooralsnog weigeren hem te zien. 613
    Samenvatting deel II.2. 614
    II.3. Een tweede uitgangspunt: een analyse van de zintuiglijke waarneming van de dingen 617
    Inleiding 617
    Stelling 73. Het Zijn van iets steunt niet op z'n waarneembaarheid maar op z'n Recht op Zijn: credo ut intellegam. 618
    73.1. De eerlijke waarnemer laat zich berechten. De intuïtie is de geloofsgrond van de waarneming. 620
    A. Waarnemen en Zijn 621
    Stelling 74. Waarnemingen behoeven, behalve een subject en een object, ook een medium. 621
    Stelling 75. Omdat het medium niet anders waarneembaar is dan als afgeleide van de waarneming van het object, zijn medium en object onvergelijkbaar. 623
    Stelling 76. De relevantie van de waarneming wordt mede bepaald door (de behoeftigheid van) de waarnemer. 625
    Stelling 77. De relevantie van de beschrijving van de waarneming wordt mede beperkt door de beschrijving zelf. 627
    Stelling 78. De miskenning van de erkenningsact is logisch onverantwoord. 629
    Stelling 79. De inhoud van de waarneming (- de kennis) wordt mede bepaald door het handelen (- de behoeften en de streefdoelen). 632
    79.1. Intentie (/behoeftigheid) en wereldbeeld. 632
    79.2. Waan en convocatie. 633
    79.3. Kennis en macht. 634
    79.4. Onze gemeenschappelijke doelstellingen convergeren in het goede. 635
    B. Waarneming en liefde 636
    Stelling 80. De liefde is geen gebeuren maar een act. 636
    80.1. Het Handelen is primautair op het Zijn welke het bepaalt. 636
    80.2. De liefde is geen gevoelskwestie. Schijn en waarheid in Sircello’s A new Theory of Love 638
    Stelling 81. In de act van het beminnen geeft de minnaar aan de beminde de macht om te beschikken over zijn eigen heil, maar pas middels zo’n machtsafstand kan het heil bereikt worden. 640
    C. Existentiële Dissonantie 640
    Stelling 82. Sinds Plato en de Zondeval verkeren wij in een staat van Existentiële Dissonantie. 643
    82.1. Existentiële dissonantie bij Plato. 643
    82.2. Existentiële dissonantie en de zondeval. 647
    D. Aristoteles, Augustinus, Thomas, Plato en de Waarneming 650
    Stelling 83. De vraag: “waardoor/waarmee kent de ziel de lichamen?” is irrelevant. Kennis is een zaak van Rechtspraak. 651
    83.1. Aristoteles en de waarneming 651
    83.2. Augustinus en de Waarneming 652
    83.3. Thomas en de Waarneming 655
    83.4. Over zintuiglijke waarneming, rechtspraak en denken bij Plato: het denken is geen verinnerlijkte dialoog. Zowel het denken als de dialoog verwijzen naar de dieper gelegen confrontatie van de (zondige) ziel met de waarheid. 658
    E. Werkelijkheid en Waan 663
    Stelling 84. Het geloof in God schept het onderscheid tussen werkelijkheid en droom; het recht om te zijn gaat vooraf aan het zijn. 663
    Stelling 85. Zin is hét criterium voor authenticiteit (- zie ook stelling 2.1.1.) 668
    Stelling 86. Het werkelijkheidsbeeld, de werkelijkheidsbeleving of de werkelijkheid zonder meer wordt bepaald door daden: onze wereld is ons loon (- zie ook stelling 28). 669
    Stelling 87. Het leed herstelt het onderscheid tussen werkelijkheid en waan. 676
    F. Het teleologisch karakter van de werkelijkheid 677
    Stelling 88. De menselijke waarheid heeft een teleologisch karakter (- zie ook stellingen 17 en 18). 677
    88.1. De menselijke waarheid is contextafhankelijk. 679
    88.2. De menselijke waarheid is subjectafhankelijk. 680
    88.3. De menselijke waarheid is doelafhankelijk. 681
    88.4. Slechts het goede zal zijn. 681
    88.5. De rechtvaardigheid sluit haar planning uit. 682
    G. Ziel en Werkelijkheid als Absolute Creatie 684
    Stelling 89. Zijn is uitgenodigd zijn. 684
    89.1. De absolute verantwoordelijkheid ten opzichte van zichzelf. 684
    89.2. Absolute plichten. 685
    89.3. Bewustzijn is participeren (aan bewustzijn). 686
    89.4. Bewustzijn is Zijn, Zijn is Bewustzijn 687
    89.5. De liefde als doel. 688
    89.6. Slechts het goede heeft werkelijkheidswaarde (- zie ook stellingen 17-19). 689
    Samenvatting deel II.3. 690
    II.4. Het wezen van het denken en het wezen van de taal 691
    Inleiding 691
    Stelling 90. Het beeld bezit de macht ons van de werkelijkheid te vervreemden. 692
    Stelling 91. Het afbeelden van God verarmt de afbeelder. 696
    Stelling 92. De duivel biedt ons de wereld aan voor de prijs van het geluk. 699
    Stelling 93. De bevrijding ligt in het opgeven van de wereld. 701
    Stelling 94. Het ultieme doel van de kennis is de Ontmoeting. 703
    Stelling 95. De hoogste vrucht van het denken is de aanbidding. 705
    Stelling 96. Interactie is de laagste vorm van de taal. 707
    Stelling 97. De oorsprong en het doel van (natuurlijke) interacties liggen buiten het natuurlijke. 709
    Stelling 98. Trouw is het wezen van de communicatie. 712
    Stelling 99. Het Gegeven Woord is het fundament van elke werkelijkheid. 714
    Stelling 100. De Naamgeving betekent een persoonlijk engagement. 716
    Stelling 101. Het wezen van de aanspreking is het gebod tot trouw. 719
    Stelling 102. Diep in de taal ligt het geheim van het leven verborgen. 721
    Stelling 103. Het eerlijke denken leidt tot de Ontmoeting. 724
    Stelling 104. De werkelijkheid is het symbool van de liefde. 727
    Samenvatting deel II.4. 734
    III. Van redelijkheid naar wijsheid: over het heilsmysterie van Christus 738
    Inleiding tot het derde deel 738
    Stelling 105. De redelijkheid wordt gefundeerd door de wijsheid. 740
    Stelling 105.1: Zien is ontvangen. 744
    105.1.1.: Zien vergt verzaking en betrachting. 744
    105.1.2.: Wetten zijn gegeven poorten naar vrijheid, zien, kennis en beheersing. 748
    De algemene gedachtengang van deel III 752
    III.1. Vanzelfsprekend christendom 755
    Stelling 106. De rede is een natuurlijk anticipatievermogen, een werktuig van het leven. 755
    Stelling 107. Het mysterie van het leven is van een andere orde dan het denken, zoals ook de boetseerder en zijn boetseersel. 758
    Stelling 108. Over het leven is enkel 'negatieve' of 'metaforische' kennis mogelijk. 759
    Stelling 109. De incarnatie is aanvaardbaar voor het gezond verstand (- zie ook stelling 148). 760
    Stelling 110. Het 'gemaakte' bestaat voorwaardelijk; het 'geschapene' bestaat onvoorwaardelijk. 761
    Stelling 111. De mens wordt geboren door Gods natuur en geschapen door God zelf. 763
    Stelling 112. De Zoon van God: "geboren, niet geschapen". 764
    Stelling 113. God is super-concreet en super-persoonlijk. 765
    Stelling 114. De staat van erfzondigheid is een staat van abstract mens-zijn. God is ter wereld gekomen omdat de mens geschapen werd in functie van de concretisering van de God-mens. 768
    Stelling 115. Het christendom heeft een super-wetenschappelijk karakter. 773
    Stelling 116. Het christendom impliceert noodzakelijkerwijze de vervolging en het martelaarschap. 775
    Stelling 117. In het martelaarschap voltrekt zich de concretisering van de God-mens. 778
    Samenvatting deel III.1: vanzelfsprekend christendom 779
    III.2. De menselijke staat van verloren onschuld 782
    Stelling 118: De grondstof 'bevruchte eicel' past bij het project 'persoon' zoals de 'goede klei' de passende grondstof is voor het project 'beeld'. 782
    Stelling 119. De erfschuld is de ouderlijke verantwoordelijkheid voor de persoon van het kind, alsook de verantwoordelijkheid van het kind zelf, dat immers zijn bestaan aan een schuldige verwekking dankt. 785
    Stelling 120. Door de zondeval vergt het menszijn het absolute liefdesbewijs, en daarom werd de sterfelijkheid noodzakelijk. 789
    Stelling 121. De gevallen mens is zoals de blinde leugen die slechts bestaat zolang de nacht duurt; ons geweten kent de dageraad en noopt ons tot bekering (- zie ook: K, §473). 791
    Stelling 122. Zoals alle dingen pas bestaan binnen onze ontmoetingen, zo bestaan wij pas binnen Gods liefde, die wij in het spoor van Christus moeten navolgen teneinde onze erfschuld in te lossen. 794
    III.3. Van schuldvereffening tot liefde 796
    A. Wat is materie? 797
    Stelling 123. Zoals ons spreken, dat ons het meest nabij is, zijn wezen dankt aan de aanspreking, waardoor wij deelnemen aan de werkelijkheid, zo danken wij ons deelgenootschap aan de werkelijkheid aan de onafgebroken aanspreking door God(s Woord). 797
    Stelling 124. Middels gans zijn materieel universum spreekt God de mens aan met het verzoek Hem door zijn arbeid naderbij te komen. De materie is de manifestatie van Gods aanspreking; het is Gods belofte. 800
    B. Wat is een menselijke schepping? 806
    Stelling 125. De arbeid is de manifestatie van onze gehoorzaamheid aan Gods wetten en aldus ook van onze wedertrouw aan God(s Woord). 806
    Stelling 126. Gods uitnodiging toont zich in de grondstof welke vraagt om onze betekenisgeving, want het object is het symbool van zijn betekenis; zo is onze wereld het symbool van de wording van de menselijke zingeving en aspiratie. 808
    C. Wat is het wezen van de wereld? 810
    Stelling 127. De daad heeft een hogere werkelijkheidswaarde dan het ding; via de daad schept de bestemming het ding. 810
    III.4. Lichaam en ziel, wereld en rijk Gods: de concretisering van de God-mens 811
    A. Het kluwen van liefde en drift 818
    Stelling 128. De verenging van het seksualiteitsbegrip tot het louter natuurlijke is een aanslag op de persoon. 818
    Stelling 129. De ontkoppeling van voortplanting en seksualiteit resulteert in de verenging van het seksualiteitsbegrip tot zijn louter natuurlijke betekenis. 823
    129.1. De door de seksualiteit bewerkte eenwording betreft enkel het lichaam; de 'zielsvereniging', welke enkel door trouw tot stand komt, heeft een meer fundamenteel karakter. 824
    Stelling 130. De seksualiteit is slechts één specifieke modaliteit van de intermenselijke aantrekkingskracht. 827
    Stelling 131. De meest menswaardige aanwending van de intermenselijke aantrekkingskracht is de sublimatie. 829
    B. De concretisering van de God-mens 830
    Stelling 132. Onze vrijheid maakt ons verantwoordelijk voor de bestemming van ons lichaam en van de wereld. 831
    Stelling 133. De natuur, en ook onze natuur, is de manifestatie van de goddelijke trouw die de werkelijkheid draagt. 832
    Stelling 134. Door ons lichaam maken wij deel uit van de natuur - de manifestatie van de goddelijke trouw - die ons aldus uitnodigt tot wedertrouw. 836
    Stelling 135. In tegenstelling tot onze lichamelijke natuur, die het resultaat is van de erfzonde, resulteert onze ziel uit onze persoonlijke keuzevrijheid. 838
    Stelling 136. De beschadiging van ons lichaam en van onze wereld wordt uiteindelijk gekend door onze ziel, die aldus de plicht en het recht verwerft om, in de bestrijding ervan, het rijk Gods in de wereld te realiseren. 841
    Stelling 137. Zoals het lichaam zich offert aan de ziel, zo ook offert de wereld zich aan het rijk Gods, en dit krachtens de vertrouwensvolle navolging van Christus in het persoonlijke getuigenis. 844
    Stelling 138. Gods geboden dragen onze werkelijkheid; uit onze veronachtzaming ervan volgt onze zelfvernietiging door contraproductiviteit. 846
    III.5. Natuur en bovennatuur 851
    A. De Kerk 851
    Stelling 139. Bestaan is handelen overeenkomstig Gods wet die al het geschapene gebiedt te zijn. 851
    Stelling 140. De Kerk is het menselijke deelgenootschap aan de waarheid ingevolge de gehoorzaamheid aan het gebod tot waarheid (- zie ook: K, §748v). 853
    Stelling 141. Zoals de satan ons met een leugen verleidde tot het kwaad, zo brengen de getrouwe engelen ons tot de heerlijkheid van het goede, middels geestelijke werkelijkheden welke, in tegenstelling tot menselijke symbolen, niet langer verwijzen naar aardse maar naar hemelse dingen. 855
    B. De fuiken van de geestelijke wereld 859
    Stelling 142. Het wezen van de dingen schuilt in wat ze niet zijn, omdat alle dingen symbolen zijn. 859
    Stelling 143. Symbolen herinneren ons aan de 'afwezige wereld' die ons bestaan draagt. 860
    Stelling 144. Symbolen zijn het eucharistisch voedsel, het Manna, dat ons één maakt met de grote Visser die ons zodoende redt uit de poel van de stof. 866
    C. De engelen Gods: duizend glorierijke namen onder ons 869
    Stelling 145. De Namen bij uitstek zijn niet anders voorstelbaar dan in de aanschouwing van die Namen zelf. 869
    Stelling 146. De Schepping is de Naam van God. 872
    Stelling 147. Onze ontmoeting met de engelen is feitelijk. 874
    Stelling 148. Het mysterie van de enting of de bevruchting (- zie ook: stelling 104). 876
    Stelling 149. Een model van een incarnatietheorie. 877
    Stelling 150. Over het 'onzichtbaar' karakter van het christendom. 882
    Conclusies bij deel III 883
    IV. Algemene conclusie 886
    Schema 1: Schepping en zondeval: 896
    Schema 2: Zondeval en verlossing: 897
    Abstract 898
    LIJST MET AFKORTINGEN 913
    BIBLIOGRAFIE 913
    INDEX 936
  • Reviews (0 uit 0 reviews)

€ 27,00

niet beschikbaar

niet beschikbaar

2-4 werkdagen
Veilig betalen Logo
14 dagen bedenktermijn
Delen 

Fragment

Uit de "ALGEMENE INLEIDING":
Aanvankelijk overgeleverd aan het geweld van de natuur, heeft de mens als zelfbewust en daarom naar vrijheid hunkerend schepsel, dit natuurlijke gegeven ethisch geïnterpreteerd: hij beschouwt het natuurgeweld als een onrecht. Zijn verzet liet hem geen andere keuze dan de aanvaarding van wat wij de vrijheidsparadox noemen: de vrijwillige maar bevrijdende vrijheidsbeperking, welke gestalte kreeg in een cultuur van recht en orde. Macht volgt uit eendracht, die op haar beurt vanwege alle deelnemers aan de macht specifieke beperkingen vereist, welke gecreëerd en aanvaard worden vanuit het inzicht in hun zin. Cultuur is wezenlijk zelfbeperking met het oog op bevrijding.
Die bevrijding is recht evenredig met de vereiste offerbereidheid, en dus ook met het inzicht dat aan die offerbereidheid ten grondslag ligt. 'Arbeid maakt vrij' - voor wie de zin van z'n arbeid begrijpt en beleeft: de zelfbeperking met het oog op de zelfbevrijding. Dit inzicht maakt ook dat deze zelfbeperking ervaren wordt als zelfontplooiing.
Op dit vlak nu, heeft de westerse cultuur een grote voorsprong ontwikkeld op de rest van de wereld. Ons inziens heeft dit alles te maken met de aanwezigheid van het christendom, dat ons de ultieme zin van die offerbereidheid openbaart. Problematisch is nu dat onze voorsprong zich wat eenzijdig manifesteert in een relatieve welvaart, want het ware onjuist om het christendom exclusief daarmee te identificeren. In de alles omvattende mondialisering welke vandaag de meest uiteenlopende volkeren en beschavingen met elkaar confronteert, staart men zich nogal eens blind op deze welvaart, zonder zijn fundament te begrijpen. Dat fundament ligt in een relatieve natuurbeheersing, welke in de eerste plaats de beheersing van de eigen menselijke natuur - de zelfbeheersing - vooronderstelt. Het westen heeft zijn rijkdom niet te danken aan de onderdrukking van anderen, maar wel aan de beteugeling of de beheersing van de natuur - in de eerste plaats in de menselijke persoon. Het ongeluk wil nu dat het uitdragen van deze waarheid door onderontwikkelden vaak geïnterpreteerd wordt als verknechting. Net zoals aan kinderen van nature het inzicht ontbreekt in de zin van de ouderlijke normen, net zo missen primitieve culturen vaak het inzicht in de zin van de arbeidsethiek. Een goed begrip wordt bovendien bemoeilijkt door het nooit uit te sluiten machtsmisbruik vanwege onbekwamen die zodoende het westen in diskrediet brengen.
In zijn onbegrip richt zich de kritiek van de ongekerstende wereld tegen deze 'tol' van de zelfbeperking die de zelfbevrijding nu eenmaal eist: hij miskent de hoger beschreven 'vrijheidsparadox', maar in feite belemmert hij aldus de eigen zelfontplooiing.
De christelijke 'zelfbeheersing' stopt bovendien niet bij de natuurbeheersing en de welvaart: zij belooft tevens een hoger welzijn aan de mens, door zijn zelfbevrijding, welke intrinsiek een - weliswaar moeizaam - proces van zelfontplooiing insluit: de ontplooiing van de persoonlijkheid en de intersubjectiviteit; de bovennatuurlijke werkelijkheid van de liefde welke, zoals Christus leerde, opnieuw enkel mits een specifieke offerbereidheid verworven kan worden.
Zo staan in de ‘ontmoeting der volkeren’ rechten en waarden ter discussie. De vaak verblindende welvaart is een vrucht van een diepere betrachting die nog moet gerealiseerd worden. De beloofde 'volheid van leven' vraagt van ons dat wij niet alleen de natuur leren beheersen: zoals wij ooit de natuurlijke luiheid opgeofferd hebben aan een cultuur van recht en orde, zo ook moeten wij nu leren om recht en orde ondergeschikt te maken aan de christelijke gerechtigheid, zoals verwoord in de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard (Matthéus 20: 1-16). De christelijke naastenliefde heeft immers een radicaliteit die wet en orde transcendeert. Bovendien mag het concurrentiële karakter van onze economie niet voorbijschieten aan haar ultieme doel: het menselijke samenwerkingsproject. Daarom brengt de confrontatie tussen de volkeren de strijd tussen de vergeving (als basis van de gerechtigheid) en de wraak (als basis van de cultuur van recht en orde) op het voorplan. En dat is de strijd om meer christelijkheid.
Het christendom, dat onze beschaving tot haar huidige bloei bracht, is daarom verre van voorbijgestreefd. Toch wordt het vandaag verdrongen en verketterd door een goddeloos materialisme dat alle heil van de beschaving aan zichzelf toeschrijft en dat tegelijk het christendom veroordeelt tot zondebok van alle onheil. Dit materialisme is vergelijkbaar met het opstandige kind dat de wetten van zijn ouders, maar daarmee ook het fundament van zijn eigen bestaan verwerpt.
De wetenschappelijke vooruitgang kan inderdaad ons allen voeden, maar of zij dat zonder het christendom ook zou doen, is zeer de vraag. We hebben het nog niet over de vraag of zij er zonder het christendom wel zou zijn. Meer dan tweeduizend jaar geleden hebben relatief hoogstaande en rijke beschavingen, tot en met de Griekse, enkel slavenmaatschappijen voortgebracht, met wat wij vandaag onmenselijke toestanden zouden noemen. Pas met de christianisering kwam de gelijkwaardigheid van alle mensen, die allen kinderen van dezelfde God werden genoemd, aan de orde van de dag, en werd de realisatie daarvan de motor van elke verdere ontwikkeling.
Maar de navenante relatieve algemene welvaart heeft het vuur aan de lont van de onverzadigbare begeerte aangestoken: concurrentie kwam in de plaats van samenwerking. Aanvankelijk werd het gevaar van het concurrentiële op jammerlijke wijze onderschat, als betrof het slechts een sport of een spel. Maar dit spel dreigt zich intussen alle macht toe te eigenen over leven en dood: de menselijke gelijkwaardigheid ruimt plaats voor de rol die mensen spelen in dit spel, dat steeds meer gelijkenis vertoont met het onbarmhartige spel van de natuur, met zijn recht van de sterkste, dat heerste voor het christendom de kop op stak, en dat men al lang overwonnen waande.
Zo moet bij de intrede van het derde millennium het christendom weer een belangrijke factor zijn in de discussie. En ook en vooral op het filosofische vlak moet deze discussie gevoerd worden. Hierbij noemen de tegenstanders van het christendom zichzelf vaak de telgen van een atheïstisch humanisme: verleid door oogverblindende successen van de wetenschap, zou het ‘geloof’ in de uiteindelijke almacht van de menselijke rede hen het ‘inzicht’ gegeven hebben dat de religiositeit ‘irrationeel’ is en bijgevolg behoort tot een voorbijgestreefd historisch tijdperk.
Tegen deze jammerlijke misvatting willen wij in het korte bestek van dit werk graag reageren. Wij geloven enkele fundamentele misvattingen in het wereldbeeld van het hedendaagse en zich op de wetenschap beroepende materialisme aan het licht te kunnen brengen. Bovendien geloven wij de sterke redelijkheid van het christendom te kunnen aantonen middels een christelijk geïnspireerde metafysica.
In wat andere bewoordingen zouden we kunnen zeggen dat het (atheïstisch) humanisme is zoals een al te dartel kind van het christendom – een kind dat zich losgerukt heeft en in een afgrond dreigt te vallen; het moet weer bij zijn moeder in veiligheid gebracht worden.

De filosofie kan niet vruchtbaar worden bedreven tenzij in een voortdurende dialoog met haar geschiedenis. Ook de door ons verdedigde stellingen komen niet uit de lucht vallen. Zij vormen een reactie tegen een hedendaagse vorm van het materialisme dat zijn succes dankt aan een zich onterecht beroepen op de methodes en op de resultaten van de positieve wetenschappen. Dit materialisme reduceert het metafysische, het ethische en de religiositeit tot het onwetenschappelijke. God is voor haar een opium, hooguit een theoretisch begrip; de metafysica een speculatie; de ethiek een zaak van conventies.
(I) Na een beknopte historische schets van de ontwikkeling van het hedendaagse materialisme, geven wij in het eerste deel van dit werk een kritische bespreking van enkele van de stellingen waartoe dit materialisme geleid heeft. Als model hiervoor hebben we ons beperkt tot het mens- en wereldbeeld van de Vlaamse hoogleraar Etienne Vermeersch, wiens gedachtegoed in hoge mate heeft bijgedragen tot de secularisatie van een deel van het Vlaamse gewest in de jongste decennia. Verder geven we ook een beknopte kritiek bij een basisintuïtie van de christelijk georiënteerde filosoof en wiskundige, Alfred North Whitehead, waarmee deze de eenheidswetenschap heeft pogen te funderen. We trachten daarbij aan te tonen dat een ‘neutrale’ metafysica onmogelijk is.
(II) Uitgaande van onze kritische bedenkingen, pogen we in het tweede en omvangrijkste deel van dit werk een alternatief op te bouwen: een christelijk geïnspireerde metafysica. Wij zullen daarbij als volgt te werk gaan.
Eerst formuleren we onze (grond)stellingen, waarvan de kern gelegen is in de overtuiging dat de hele werkelijkheid een geschenk is, een tegemoetkoming van de goddelijke liefde aan de mens.
(II.1.) Ons eerste uitgangspunt is de introspectieve ervaring van het lijden, met in de eerste plaats de fysieke pijn. Het gaat hier om een onbewijsbare (want alleen introspectief kenbare) realiteit waarvan wij de waarachtigheid niettemin aannemen. Nadat we vervolgens kunnen vaststellen dat niemand pijn wil lijden, funderen we op deze twee ervaringen de werkelijkheidswaarde van de wil. Zoals nu uit het problematische voelen (de pijn), het verwerpen van dat voelen (het niet-willen van de pijn, en dus de ‘negatieve’ wil), en het afstand nemen van dat gevoel, of het denken (het anticiperen op het voelen), ontstaat, zo ontstaat uit het problematische denken, het kiezen: waar iemand tegenstrijdige dingen wenst, zoals én snoep én gezonde tanden, kan deze persoon, mits hij eerst aanvaardt dat een aan hem externe orde het zich samen realiseren van die beide wensen uitsluit, een vrije keuze maken voor hetzij het ene goed, hetzij het andere. Zijn vrijheid volgt dan ook uit het inzicht of de aanvaarding van de noodzaak van de hem door een externe orde opgelegde beperkingen. Dit inzicht of deze aanvaarding is de basis van het ethische.
Dit inzicht grondvest de kennis in twee onderling onderscheidbare vormen. In de eerste plaats grondvest het de zogenaamde positief wetenschappelijke kennis van de externe orde. Maar bovendien grondvest dit inzicht ook een geheel van waarheden waarvan de waarde anders dan positief wetenschappelijk (wat wil zeggen: op directe zintuiglijke waarneming en logische deductie gebaseerd) aan het licht komt. Die ‘andersoortige’ waarheden openbaren ons hun waarheidswaarde namelijk op dezelfde manier waarop de pijnervaring dat doet, en dat is: door introspectie. Omdat nu de wetenschappelijke waarheden de waarde van de introspectieve ervaring van de pijn vooronderstellen, kunnen zij ook niet beschouwd worden als zijnde stringenter dan de introspectieve ervaring van de geestelijke pijn die wordt aangeduid met de term ‘geweten’. Met andere woorden: zowel de fysieke als de geestelijke gevoeligheid zijn een zaak van introspectie. En zoals wij op grond van onze fysieke pijn de externe orde leren kennen in zoverre het de zintuiglijk waarneembare, fysieke wereld betreft, zo ook leren wij op grond van onze geestelijke pijn (het geweten) de externe orde van het niet zintuiglijk waarneembare of het geestelijke kennen. Op deze grondslag definiëren wij het ontische, het epistemische en het ethische, en we onderzoeken hun onderlinge relaties.
(II.2.) Vervolgens leiden we uit de ervaring van het lijden, de werkelijkheid van de ziel af. We tonen het primaat van het ethische op het epistemische en het ontische aan, en we funderen het absoluut karakter van de christelijke waarden.
We tonen aan hoe elke christen het lot van Christus deelt: wie kiest voor het goede, moet aan de wereld verzaken.
Die waarheid, met andere woorden: de zin van het lijden, wordt dan uitgelegd: zonder het leed kan de liefde zich niet manifesteren in de wereld.
(II.3.) Ons tweede uitgangspunt bestaat in een analyse van de zintuiglijke waarneming. Het verband tussen waarnemen en zijn, tussen werkelijkheid en waan wordt belicht. De onbewezen waarheid (namelijk: de werkelijkheid) waarmee zowel de analyse van onze introspectie als de analyse van onze zintuiglijke waarneming ons confronteren, vormt de basis van onze hypothese over de ontdekte werkelijkheid die noodzakelijk aan het louter positieve ontsnapt (- zie onze (grond)stellingen in het tweede deel van deze tekst). Deze hypothese wordt gevoed door het christelijk religieuze denken. Zoals we voordien zullen hebben aangetoond in de analyse van onze uitgangspunten, heeft de zich opdringende kritiek van het positief wetenschappelijk discours geen enkele relevantie met betrekking tot deze hypothese: zoals we zullen betogen, staat de wetenschap daarentegen geheel in de schaduw van deze hypothese omdat zij er door omvat wordt; vanwege haar specifiek waarheidsperspectief, staat de wetenschap namelijk in betrekking tot een specifiek deel van de werkelijkheid. Anderzijds mag de wetenschap dan al bogen op indrukwekkende resultaten - zoals hoger aangestipt mist zij haar doel waar zij zich niet laat oriënteren door de weliswaar niet direct tastbare maar niettemin fundamentele waarden van het christendom als zodanig.
(II.4.) Hierna verklaren we het wezen van het denken en het wezen van de taal in het licht van onze metafysica.
(III.) Nadat we aldus een 'natuurlijke theologie' hebben verkregen, trachten we deze aansluiting te doen vinden met het heilsmysterie van het christendom zelf. We pogen iets te zeggen over de wijsheid, welke de link maakt van het filosofische (- het indicatieve) met het religieuze (- het imperatieve). We tonen de vanzelfsprekendheid van het christendom aan, waarbij we uitleggen hoe het geloof in een persoonlijke, geïncarneerde God allerminst irrationeel of onwetenschappelijk is. We beschrijven ons bestaan als staat van erfzondigheid, en we leggen uit hoe de mens door zijn arbeid in deze wereld het rijk Gods kan ontdekken en de God-mens kan concretiseren. Tenslotte leggen we de link tussen de natuur en de bovennatuur door de eerste te beschouwen als een symbool van de laatste. De natuur dient geënt te worden met het christendom, teneinde de mogelijkheid van leven en eeuwig leven te realiseren als laatste doel van de schepping.
(IV.) We trekken onze conclusies. Een vergelijking tussen het systeem van het materialisme en onze christelijk geïnspireerde metafysica maakt ons duidelijk dat de eerste alles behalve sluitend is, terwijl de tweede een volkomen werkelijkheidsbeeld kan opleveren. Het verschil tussen de beide systemen ligt in hun basisaxioma’s: het materialisme ziet het hogere als een product van het lagere, terwijl in de christelijke metafysica het hogere het lagere genereert: het lagere wordt er door het hogere omvat.
Samengevat: in de huidige ontmoeting van alle beschavingen in gevolge een alles omvattende mundialisering, tekent zich een strijd af tussen gerechtigheid en recht, of tussen goed en kwaad in de christelijke betekenis van deze termen. Onder de druk van systemen, uitgedacht door een zichzelf autonoom wanende menselijke rede, dreigt de christelijke menselijke gelijkwaardigheid vervangen te worden door de rol die men speelt op het toneel van de wereld. Ook het denken wordt door deze waanzin aangetast. We onderzoeken de daarvoor verantwoordelijke denkrichting (het materialisme en in het bijzonder het fysicalisme) en we reiken een alternatief aan: een christelijk geïnspireerde metafysica. ×
SERVICE
Contact
 
Vragen