Samenvatting
In het turbulente begin van de 17e eeuw, toen religieuze
spanningen Europa verscheurden, volgen wij twee mannen wiens
levens op onverwachte wijze met elkaar verbonden raken.
In Valenciennes, een stad in de Spaanse Nederlanden, probeert
de calvinistische wever Guleyn Vigne zijn gezin te onderhouden.
Samen met zijn vrouw Adrienne en hun dochters Christina en
Maria leeft hij onder toenemende druk, veroorzaakt door
religieuze vervolging. Wanneer Guleyns poging om een
spinnersgilde op te richten hem bijna in de gevangenis doet
belanden, wordt het duidelijk dat hun toekomst in gevaar is.
In 1619 brengt het toeval hen naar Leiden, een stad waar de
strijd tussen de katholieke en de protestantse bevolkingsgroepen
niet speelt. Ondertussen werkt in het Hollandse Velsen de
achttienjarige Jan Jansz. Roos op de familieboerderij
Oosterduin. Nieuwsgierig en leergierig droomt hij van meer dan
alleen het boerenbestaan. Aangemoedigd door zijn goede vriend,
Walraven IV van Brederode, ontwikkelt hij zich tot een
competente molenarchitect. Terwijl Holland, na het beƫindigen
van het Twaalfjarig Bestand, zich voorbereidt op een nieuwe
oorlog met Spanje, staan Guleyn en Jesse de Forest, de
onbetwiste leider van de Leidse hugenotengemeenschap, voor
lastige keuzes: snel handelen of de situatie eerst grondig
bestuderen? Blijven of vertrekken? En als ze gaan, waarheen dan,
naar Guyana of Nieuw-Nederland? In Leiden kruisen de paden
van Guleyn en Jan elkaar. Jan komt met verrassende informatie
die alles op zijn kop zet. Een romance ontwikkelt zich tussen Jan
en de jongste dochter van Guleyn, Maria. Eind maart 1624,
vertrekt het schip de Nieu-Nederlandt vanuit Amsterdam, met
als eindbestemming Nieuw-Nederland. Aan boord dertig
Hugenotenfamilies, waaronder ook de familie Vigne. De familie
de Forest ontbreekt. Wanneer Jan emotioneel afscheid neemt van
Maria, doet hij haar een belangrijke toezegging. . .