Fragment
Met de sleutel in haar hand is Elisa Maria de heuvel opgerend. Op haar leeftijd! Hijgend staat ze op het opstapje, voor de grote ronde deur. Van mij, van mij, fluistert ze. Ze ademt diep in en kijkt om zich heen. Nergens ter wereld staat een kapel als deze. Tussen de schots en scheve graven raken het wuivende gras en de kruiden de zware muren, alsof de natuur het stenen bouwsel uit haar schoot omhooggestuwd heeft, in de hoop de hemel te raken. Het melkachtige blauwgrijs van het glas-in-lood is inderdaad hemels, ondanks dat het hier en daar gebroken is. Ze kan niet bevatten hoe groot het geluk is dat haar ten deel gevallen is. Vandaag zal ze er alleen maar zíjn, niet denken aan wat er nog allemaal moet worden gedaan, alleen de geschiedenis op haar in laten werken, de eenzaamheid tussen de muren voelen. En aan hem zal ze denken, haar zoon. Hoezeer heeft ze uitgekeken naar het moment om hier alleen te kunnen zijn met haar gedachten. Aan hem, aan Raf. Haar kind. En aan de arme kleine, die haar hart zo ver heeft opgerekt dat het alleen nog maar pijn doet. Vik. In het denken zal ze rust vinden, daar bij een van de hoge ramen. Al haar gedachten zal ze rond haar twee jongens samenbrengen. Alle ruimte, al het licht en alle stilte zullen voor hen zijn. Raf en Vik.
De sleutel in haar hand is hoe een sleutel moet zijn, hoe je je een sleutel voorstelt als het woord valt. Ze draait hem om en om in haar handen en bekijkt hem van alle kanten: de sleutel tot haar geluk, tot haar hart. Ze schudt haar hoofd als om haar te blijde gedachten van zich af te schudden en zich klaar te maken voor de ernst die past bij haar binnenkomst in de kapel.
Beneden heeft ze Servaas al van zich afgeschud, die aanbood met haar op te lopen, bij wijze van overdracht. Daar wilde ze niets van weten, niet om hem de klim te besparen, nee, nee, dat had ze er eerlijk bij gezegd, maar omdat ze dit alleen wilde doen, omdat ze er zo lang naar had uitgekeken deze weg alleen te gaan. Servaas was zichtbaar teleurgesteld, maar ze wilde hierin geen concessies doen. Niet meer op haar leeftijd. Hij had geknikt, haar beide handen gepakt en er een kus op gegeven. Het had haar ontroerd.
Vlak nadat ze Jozef in de rolstoel bij de televisie had gezet, een warme deken over zijn benen, en ze aan het eind van de straat op het punt stond met wat kleine spullen in haar rugzak de klim te wagen, was ze Servaas tegen het lijf gelopen. Matthieu, vroeg hij, je kent Matthieu toch nog wel? Ze was geschrokken bij het noemen van zijn naam. Hij was weer opgedoken in het dorp, zei Servaas. Hij was een stuk ouder geworden, maar hij had hem direct herkend. Ze vroeg of ze elkaar gesproken hadden. Servaas schudde zijn hoofd. De afstand was te groot, zei hij. Ze had niet verder doorgevraagd. Welke afstand was te groot, denkt ze nu. De hele klim naar boven heeft ze daarover nagedacht. Haar vragen komen altijd pas later, als ze die niet meer kan stellen aan de persoon die het antwoord kan geven. Welke afstand had hij bedoeld? Nu ze weer alleen is, blijft ze daarover piekeren. Servaas had ook gepiekerd. Dat zei hij niet, maar dat kon ze aan hem zien. Hij wist niet wat hij met Matthieu aan moest. Daarom piekert ze nu over de afstand waarover hij het had. Misschien had hij haar zelfs ongelukkig aangekeken. Het is moeilijk achteraf een gezichtsuitdrukking terug te halen. Je weet niet meer wat je er zelf aan hebt toegevoegd. Waarom had hij het haar verteld? Servaas was bepaald geen prater, maar dit had hij haar toch verteld, zonder enige terughoudendheid, alsof hij er belang aan hechtte dat zij het ook wist. Ze had geknikt en gezegd dat het goed was, maar bij haar eerste stappen naar boven had ze het gewicht gevoeld van deze aankondiging. Matthieu! Van alle mensen nu uitgerekend Matthieu! Misschien had ze nog tijd voor ze hem tegen het lijf zou lopen. Het was eind van de ochtend, toen ze naar boven liep. Liep? Na een paar stappen rende ze al, uitgelaten als een jong kind. Nu weet ze niet meer waarom ze zo’n haast heeft gemaakt. Vanwege de kapel, of om wat Servaas heeft verteld, dat Matthieu weer in het dorp is?
En daar staat ze nu, een klein uur later, een hoofd vol gedachten, met de sleutel in haar hand.
×