Fragment
Ze wandelen een stukje door de stad en opeens wijst de oudste broer naar een kruispunt. "Weet je nog, hier kwamen we ooit langs toen we naar Murree gingen."
Jag knikt; hij herkent vaag de bomenrij en het oude theehuis op de hoek.
Even later wijst hij zelf verderop: "Daar! Dat park, daar hebben we met papa cricket gespeeld." Hij glimlacht.
De stad voelt tegelijk overweldigend en vertrouwd, alsof flarden van herinneringen tussen het nieuwe rumoer meewandelen.
Ze eten in een klein restaurant. De geur van kebabs en naan vult de lucht.
Jag neemt grote happen, maar midden in zijn kauwen glijdt zijn blik naar buiten. Daar, in de schaduw van de muur, poetst een kind de schoenen van voorbijgangers. Hij buigt diep, zijn handen zwart van het
stof. Jag slikt. Hoe kan er hier zoveel overvloed zijn, terwijl op een paar stappen afstand iemand honger naar morgen lijkt te hebben?
In een winkelcentrum kijkt zijn oudste broer naar een donker pak. "Dit zou jou staan," zegt hij grijnzend.
Jag strijkt eroverheen en glimlacht, maar zijn gedachten dwalen af. Alles hier lijkt groter dan zijn eigen leven, alsof de stad hem uitdaagt een plek te vinden die hij nog niet kent.
Ze dwalen verder langs de rekken vol herenpakken.
De oudste trekt een donkerblauw colbert van de hanger. "Hier zie ik mezelf al in, dokter in de stad," zegt hij half grappend.
Jag laat zijn vingers langs een lichtgrijs pak glijden; het glanst als de vleugels van een vliegtuig. Hij denkt aan de lucht, aan vertrekken en landen.
De jongste lacht en trekt een veel te groot jasje aan. "En ik word minister van spelletjes,"
roept hij.
Hun vader schudt glimlachend zijn hoofd. Elk pak lijkt een belofte, een glimp van een toekomst die nog openligt.
’s Avonds, bij familie, vult het huis zich met gelach, verhalen en warme schalen eten. Jag lacht mee, maar terwijl hij luistert naar het snelle Punjabi om hem heen, dwaalt zijn gedachten af naar het Nederlands dat straks weer zijn dagen zal vullen. De smaken, de stemmen, alles
×