Fragment
Tomaten plukken
Als we gingen plukken, pikte Rob mij rond vier uur ’s ochtends op. Een half uur later liepen we bij een prille zonsopkomst de kas in Maasdijk binnen. Omdat het op dat uur doodstil was op straat, hoorde ik in de verte altijd als eerste het kenmerkende geluid van zijn Puch, nog voordat zijn silhouet uit het donker van de vroege ochtend opdoemde. In de tussentijd genoot ik van de serene stilte in de straten, voordat de Puch zich weer schuldig maakte aan lucht- en geluidsoverlast.
Op de hoek van de P.C. Hooftlaan en de Lange Boonestraat, waar ik stond te wachten, moest ik altijd mijn hand opsteken om hem eraan te herinneren dat hij moest stoppen. Rob zou me anders, met zijn gehypnotiseerde nachtzicht, faliekant voorbij zijn gereden. Niet verwonderlijk, want ook ik had elke keer moeite om op dit vroege tijdstip klaar te staan. Ik stond er wel, maar mijn hersenen gaven aan dat mijn lichaam nog in bed lag. Een vreemde gewaarwording die zich pas herstelde in de behaaglijke warmte van de kas, waar lichaam en geest langzaam weer één werden. Tijdens de rit lieten we de nacht achter ons en reden we de dageraad tegemoet. Stil, dromerig, ontwaakten we langzaam uit onze ochtendroes.
×