Fragment
De voordeur sloeg dicht, de fiets werd hoorbaar van het slot gehaald. Zonder het verder te kunnen horen of te kunnen zien, wist ik dat de man zich van ons huis verwijderde, dat hij zich in alle opzichten, ook van Hanna en mij, verwijderde. Steeds verder. De man probeerde zijn gedachten te vangen, zijn woede te vangen.
Iets eerder was de man er niet in geslaagd het moment van ingehouden woede om te buigen tot iets positiefs. Die boosheid snapte ik wel, ook ik kan woedend zijn. Het mooie van boosheid is, dat ik achteraf opnieuw in mijn hart durf te kijken en dan meestal kan constateren dat ik woedend ben, omdat ik naar iets goeds verlang. Verlangde de man ook naar iets goeds en wat was dan dat goede? Zijn eigen huis was zijn richting, dit was zijn geordende plek. ‘Waardoor miste mijn leven de rangschikking van mijn veilige thuishaven?’ bedacht de man.
Ik was benieuwd hoe de man had gekeken, welk gevoel had hij? Wil ik zijn gevoel wel weten? Zou kennis van zijn gevoel, zijn woede, mij slechts slapeloze nachten bezorgen? Ik wil toch nog steeds van zijn gevoel niets weten!
Ik bedacht zijn gelaatsuitdrukking tijdens het hard dichtslaan van de deur, scheve mond, strak van de zenuwen, de lippen gespannen naar voren tuitend, afstand creërend, lippen die zich uiteindelijk stijf op elkaar persten om nog meer scherpe woorden tegen te houden? Zijn ogen keken leeg en verwilderd, ze zagen niets, niets werd opgemerkt.
In het hoofd van de man werden al fietsend naar huis fraaie zinnen herhaald, boze zinnen met een gevoel van trots het toch maar goed gezegd te hebben. De man had in mijn beeld slechts boze klanken uitgestort. Toch was hij tevreden dat hij zijn waarheid met Hanna had gedeeld, vooral veel had kunnen zeggen, vooral één richting op, Hanna heeft alleen kunnen luisteren. Zou de man zich hebben gerealiseerd dat hij niet naar Hanna’s antwoorden luisterde, geen vragen aan haar stelde, dat hij geen verbinding maakte, niet een gevoel omarmde, dat hij Hanna niet omarmde, dat hij met de armen op zijn rug niets kon omarmen?
Hij stond er alleen maar en stortte onsamenhangend woorden uit, soms hakkelend. Een half uur had de man daar gestaan, naar woorden zoekend, boos, kwaad, omdat ik in een WhatsApp-bericht zijn keuzes laf vond. Ik was boos, ik ervaarde verdriet, en dat uitte ik op een directe manier. Woedend was de man, vervolgens had hij het moment van opgekropte woede zorgvuldig geconserveerd. Het idee dat woede een aanleiding zou kunnen zijn dit positief om te denken, ontbrak. De man die wist dat ik niet thuis was, juist daarom op het tijdstip waarop ik nog werkte langskwam. Hij eiste dat ik mijn excuses moest maken.
×