€ 24,95

ePUB ebook

niet beschikbaar

PDF ebook

niet beschikbaar

Het Judea Kruis

De zonen van Serunja

Jim Brands • Boek • paperback

  • Samenvatting
    In Maastricht wordt een drenkeling gevonden aan de oever van de rivier de Maas. De man ademt niet meer, artsen kunnen zijn leven ternauwernood redden. Dokter Marianne Pierson, de afdelingsarts bekommert zich over de onbekende patiënt, die aan geheugenverlies leidt. Maar dan gebeuren er vreemde dingen, Marianne dreigt de controle over zichzelf te verliezen.

    Een gepensioneerde notaris wordt op klaarlichte dag bruut overvallen als hij een eeuwenoude envelop wil gaan afgeven. Politie rechercheur Frank Lejeune stelt een onderzoek in en doet een ontdekking die zijn leven in gevaar brengt.

    Esther, een jonge succesvolle advocate moet hals over kop Maastricht ontvluchten, en verschuild zich in wanhoop in een slaperig wijnstadje in het zuiden van Frankrijk. Samen met een vriend van vroeger gaat ze op onderzoek uit.

    Er is iets wat deze gebeurtenissen met elkaar verbindt, het leidt tot verbijstering als duidelijk wordt wat de onbekende factor is.

    Door het noodlot wordt een reisgezelschap geformeerd, of is er sprake van een vooropgezet plan? Maar wie heeft de regie?

    In een afgelegen klooster in Rome, zetelt een meedogenloze kardinaal. Deze kerkelijke hoogwaardigheidsbekleder heeft slechts een doel in het leven, en zet alle middelen in om zijn prooi te vangen. Zelfs moord schuwt hij daarbij niet.

    In allerijl vertrekt het gezelschap naar Jeruzalem, kunnen ze in de heilige stad het geheim ontdekken, “de sleutel” , die de wereld zoals wij hem vandaag kennen, nog kan redden.

    Een race tegen de klok, lijkt bij voorbaat verloren, toch zet het team door, met gevaar voor eigen leven trotseren ze de onvoorstelbare bedreigingen.

    In de stad Maastricht zal de waarheid zich openbaren. Is er nog hoop, of worden we verzwolgen door een apocalyptische ondergang?

    De tijd zal het ons leren.
  • Productinformatie
    Binding : Paperback
    Distributievorm : Boek (print, druk)
    Formaat : 145mm x 210mm
    Aantal pagina's : 406
    Uitgeverij : AK Heuvelland
    ISBN : 9789082758108
    Datum publicatie : 10-2017
  • Inhoudsopgave
    Het Judea kruis is een verbijsterend boek.
    Ongelofelijk, kan het echt gebeuren, is dit wat ons te wachten staat?
    Dan moeten wij het ergste vrezen.
    Voor wie is er nog hoop op redding?
    Is onze wereld gedoemd voor altijd te verdwijnen.
    Aan de oever van de rivier de Maas wordt een drenkeling gevonden.
    Meer dood dan levend.
    Wie is deze man, waar komt hij vandaan?
    De waarheid zal u verbijsteren,
    het menselijk voorstellingsvermogen overstijgen.
    Gaat u gerust slapen. Waan uzelf veilig.
    Wie zal over u waken?
  • Reviews (0 uit 0 reviews)

€ 24,95

niet beschikbaar

niet beschikbaar

3-5 werkdagen
Veilig betalen Logo
14 dagen bedenktermijn
Delen 

Fragment uit het boek

Langzaam opende hij zijn oogleden, ze kleefden, als waren ze met lijm dichtgeplakt. Zonlicht schitterde en fonkelde, een pijnscheut deed hem rillen, zijn onderarm graaide in de kleverige, stinkende modder, op zoek naar enig houvast.
Ik leef… , was zijn eerste gedachte. Zijn lichaam gebroken, zijn geest suïcidaal, de grens gepasseerd, het moment dat je de dood verkiest boven het leven aangebroken, gewoon rust, eeuwige rust, verlost van alle pijn.
Een soort van Duck-tape, waarmee hij als een mummie was omwikkeld, was deels door het water losgeweekt. Dat was zijn redding geweest, nou ja redding, hij lag hier volkomen hulpeloos ingesnoerd. Alleen zijn neusgaten vrij. Ademen ging zwaar. Hij zou zomaar in een paniekaanval kunnen geraken. Onvoldoende zuurstof bereikte zijn longen. Proberen er niet aan te denken, de ademnood uit zijn geest bannen, dat was het enige wat hij nu kon doen.
Zijn geheugen volkomen leeg, waarom en hoe hij hier terecht was gekomen wist hij niet, noch wie hij was, noch waar vandaan.
Deze voor hem vreemde omgeving was de oever van een rivier, de man kon niet weten dat deze rivier de Maas werd genoemd en dat hij zich ongeveer vijf kilometer zuidelijk van de stad Maastricht bevond.
Het was een kunstmatig aangelegd natuurreservaat, er liepen wilde paarden en ossen door de ruigte, wandelaars konden het gebied vrij betreden.
Dat was feitelijk zijn enige kans op redding, indien hij snel zou worden gevonden. Het was winter, het smerige bruine rivierwater had een temperatuur van slechts acht graden. De penetrante stank irriteerde zijn slijmvliezen. De industriële vervuiling had sedert vele decennia het water toxisch gemaakt. Je kon er maar beter geen slok van nemen hoe groot je dorst ook was. De man rilde, zijn vermagerde lichaam schokte, zijn bewustzijn uitgeschakeld door de ondragelijke ontberingen en het gebrek aan zuurstof. Hij snakte naar adem, zijn longen volzuigen en slikken, zijn keel volledig verdroogd.
Geruisloos was een grote grazer dichterbij gekomen, het beest zag er vervaarlijk uit. Zijn stugge krullende vacht was gitzwart, ferme horens stonden fier op zijn kolossale kop, klaar om een dodelijke stoot uit te delen. Het creatuur naderde de man omzichtig, zijn instincten stonden op scherp gesteld, vluchten of aanvallen meer opties beheerste het niet. Het dier snoof de reuk van de man op. De drenkeling opende zijn ogen, de reusachtige viervoeter tornde boven hem uit, onzeker met zijn hoeven schrapend in de zompige rivierklei. De man kon het niet meer gewaarworden, zijn zintuigen waren niet meer in staat gevaar te registreren.
Een Kowalski paard schoot uit het struikgewas en verjoeg het wilde rund. De man was buiten bewustzijn geraakt.

Wandelaars liepen gemoedelijk converserend het wandelpad af, hun honden renden heen en weer, vrolijk spelend en blaffend. De grootste hond bleef plotseling verstard staan en blafte naar het levenloze lichaam dat op de oeverbedding lag. De man bewoog niet meer, zijn ademhaling was gestopt.
Een van de wandelaars, een vrouw van middelbare leeftijd, zag de man als eerste liggen, ze rende naar hem toe. Snel ontdeed ze zich van haar handschoenen en voelde zijn pols. Er was geen polsslag meer waar te nemen. Ze constateerde dat de drenkeling nog enige lichaamswarmte had. Ze riep naar haar medewandelaars. ‘Snel!... snel!, kom hier, er ligt iemand in het water.’ De anderen kwamen reeds toegesneld, de honden volgden luid blaffend.
Ze trokken de man op het droge, hij was geheel als een mummie ingewikkeld in een vreemd soort bandage. Ze maakten zijn mond vrij. Een van de wandelaars wist hoe ze in een noodsituatie moest handelen, ze legde de man op zijn rug en begon hartmassage toe te passen. De andere vrouw startte onmiddellijk met mond op mond beademing. Ritmisch gingen ze te werk, het lichaam van de man bonkte op en neer. Zijn ogen bleven dicht, zijn ademhaling stagneerde. De wandelaars bleven zonder ook maar een moment te stoppen met hun reanimatiehandelingen doorgaan, de andere persoon had de hulpdienst gebeld, redding was onderweg, als deze maar op tijd zou arriveren.

In de verte hoorde men de sirenes, de ambulance naderde met hoge snelheid. De wandelaars hadden de man met hun jassen bedekt. Een van hen wreef de benen en armen van de drenkeling warm. Ondanks dat de vermoeidheid toesloeg, bleven de twee levensredders gestaag doorgaan met reanimeren.
De ambulancebroeders kwamen toegesneld en namen de taken over. De man kreeg een injectie toegediend, een zuurstofmasker werd aangelegd. De verpleegkundige legde de twee pads van de defibrillator op de ontblootte borst van de man.
‘Vrij maken!’, riep hij en drukte de knop van het apparaat stevig in. Een elektrische schok golfde door het levenloze lichaam, het geavanceerde apparaat vertoonde geen uitslag, een nieuwe schok volgde. Echter ook zonder het gewenste resultaat.
De broeders tilden de man voorzichtig op de brancard, de hartmassage continuerend.
De ambulance verdween uit het zicht en liet de wandelaars verbouwereerd achter. Ze zouden nog vaak over het voorval napraten.

***

Marianne had vrij vanochtend, ze had de afgelopen weken wel heel vaak moeten overwerken, dus vandaag zou ze lekker uitslapen. Ze draaide zich om en legde haar arm over Marc.
Eindelijk was ze weer gelukkig, Marc was echt een lot uit de loterij geweest. Haar vorige relatie was op een drama uitgelopen, haar ex-vriend bleef haar gedurende vele maanden stalken en dreigde haar zelfs wat aan te doen. Ze was in haar hele leven nog nooit zo angstig geweest.
Hoe had ze zich zo kunnen vergissen. Nooit had ze kunnen vermoeden dat haar ex een dergelijk duister karakter had. Ze rilde bij de gedachte aan hem, stevig drukte ze zich tegen Marc aan, haar adem stokte. ‘Wat is er lieverd?, Marc draaide zich naar haar toe, ben je al wakker?’
‘Ja, vandaag kan ik eindelijk uitslapen en nu ben ik al weer voor dag en dauw wakker,’ zei ze geeuwend.
‘Dat komt ervan, elke dag vroeg uit de veren, je gaat er zowaar aan wennen,’ zei Marc. ‘Maar ik wil er helemaal niet aan wennen, zullen we nog even lekker blijven liggen?’ Ze pruilde haar lippen. Hmm… , ze voelde een graaiende hand zoekend haar billen betasten. Marc pakte haar stevig vast, ‘wat heb je toch een goddelijk kontje, kom jij maar eens even hier.’ Een half uurtje later zat het amoureuze stel samen te ontbijten, ze konden immers niet bevroeden dat hun pril geluk en fijn leventje totaal zou veranderen. ‘Dat was al weer mijn vrije ochtend, zei ze, ik ga me douchen’. Ze stond op, liep langs Marc en trok onverwacht plagerig aan zijn haren. ‘Au!, gilde hij en sprong van zijn stoel, dat zet ik je betaald.’ Vliegensvlug stormde Marianne de badkamer binnen, smeet de deur met een luide klap dicht en draaide de deur op slot.
Marc bonkte op de deur, maar deze bleef dicht. ‘Nee… nee… mijn lieverd … te laat…’ schaterlachte Marianne.
De buurman vond het kabaal blijkbaar niet zo grappig en sloeg met een vuist tegen de muur. Een man zonder humor.

Marianne passeerde de openstaande slagboom. Het AZM was een universitair ziekenhuis, ze werkte nu vier jaar als arts en ze had het enorm naar haar zin. De leiding had gevraagd of ze interesse had om een specialisatie studie te gaan volgen. Dan kon ze leidinggevende worden. Maar ze twijfelde nog steeds, ze vond haar baan gewoon leuk om te doen, ze had geweldige collega’s dus waarom moest ze weer veranderen, altijd weer hoger en hoger. Dan moest ze ook weer gaan studeren, ze had de boeken eens ingezien en de stof was haar zwaar tegengevallen. Ze twijfelde nog steeds of ze wel op dit aanbod moest ingaan.
De auto kwam met piepende banden tot stilstand, ze zette de motor uit, griste haar tas en stapte uit. Routinematig keek ze op haar horloge. ‘Shit… ik ben te laat,’ snel beende ze door de parkeergarage richting de personeelsingang. Op afdeling A7 was de dagelijkse routine volop gaande. Verpleegkundigen en artsen liepen met versnelde tred door de gangen, bezoekers kwamen hun dierbaren opzoeken, het leek gewoon een dag als alle andere.

Karin, de hoofdverpleegkundige, en stagiaire Bianca deden volgens protocol hun quarantaine jas en handschoenen aan, ze gingen kamer 9 binnen. Er bevond zich maar één patiënt in deze kamer. De patiënt zonder naam was vandaag binnengebracht. Hij had een hartstilstand gehad, maar de artsen hadden zijn hartfunctie toch weer op gang weten te brengen. Het was een wonder geweest, want de man had lang in het ijskoude water gelegen en was volledig onderkoeld geraakt. De monitor liet een normaal QRS zien, bloeddruk en hartslag waren stabiel en ook de saturatie was volkomen in orde. Een wonderbaarlijk herstel. Het was alleen nog niet duidelijk of er hersenletsel was opgetreden, de man was immers een behoorlijke tijd zonder zuurstof geweest. Men wist niet hoelang hij aan de rivieroever had gelegen, voordat een groepje wandelaars hem had gevonden. Het EEG had geen afwijkingen in de hersenfunctie aangetoond. De man was ook niet in coma, het leek wel of hij gewoon lag te slapen. Vreemde bijkomstigheid was dat de patiënt geen kleren had gedragen. Hij was gevonden, ingewikkeld in een soort van bandage. Zoiets vreemds hadden ze al lang niet meer op de afdeling meegemaakt.
Er werd op de deur geklopt, beide verpleegsters verlieten de kamer. ‘Goedemiddag Frank Lejeune, rechercheur van de politie Maastricht.’ De rechercheur liet zijn legitimatie zien. ‘Ik had graag gesproken met de dienstdoende arts in verband met de onbekende drenkeling die vandaag is opgenomen.’ Karin en Bianca keken een beetje perplex. Politie ... recherche ... hier op de afdeling? , flitste door hun gedachten. ‘Ja, dat kan, antwoordde Karin. Oh, daar komt dokter Pierson, zij heeft nu dienst, wellicht kan zij u verder helpen’
Marianne stopte bij het gezelschap. ‘Net op tijd, zei Karin, deze meneer is van de politie en wil een arts spreken in verband met de onbekende patiënt die vanochtend is binnengebracht.’
Frank Lejeune stak zijn hand uit naar Marianne en stelde zich voor. ‘Maar ik kom net binnen, over welke onbekende patiënt hebben we het hier?’, vroeg Marianne ietwat verbouwereerd.
Karin vertelde wat ze wist van de onbekende patiënt. ‘Nou meneer Lejeune, dan moet ik u toch vragen om morgen terug te komen, ik zal eerst bij mijn collega dokter Janssen moeten navragen wat de status van deze onbekende patiënt is. Of vraagt u anders of dokter Janssen u verder kan helpen. Maar zijn dienst zit er nu op en ik weet toevallig dat hij vanmiddag een belangrijke afspraak heeft,’ corrigeerde ze zichzelf.

Lejeune dacht snel na, ‘kan ik de man zien?’, vroeg hij. ‘Karin kan dit?’ ,vroeg Marianne. ‘We hebben de patiënt in quarantaine moeten brengen, dus volgens het protocol mag hij nu geen bezoek van derden ontvangen.’ ‘Nou u hoort het meneer Lejeune, dat gaat vandaag dus niet lukken. Belt u mij anders morgen rond drie uur in de middag, dan kan ik kijken of het mogelijk is een bezoekje aan de patiënt te brengen,’ antwoordde Marianne kortaf.
Frank Lejeune trok zijn wenkbrauwen op, ‘ik begrijp het, zei hij. Maar kunt u garanderen dat de patiënt wel hier blijft totdat we zijn identiteit hebben vastgesteld en weten wat er precies met hem gebeurd is?’
‘Meneer Lejeune het spijt me maar we zijn geen gevangenis, alle deuren zijn open, dus als die meneer opstaat en wegloopt wie moet hem dan tegenhouden? ,vermoedt u een misdrijf? , of wat is hier aan de hand?’ , reageerde Marianne met een duidelijke irritatie in haar stem.
‘Ok, zei de rechercheur, ik begrijp het, ik wil u niet van uw werk afhouden, ik bel u morgenmiddag, dan zullen we verder kijken. Mocht er tussentijds iets gebeuren dan kunt u mij altijd bellen.’ Frank overhandigde zijn kaartje aan Marianne. ‘Dat zal ik zeker doen,’ zei ze. ‘Nou dames een fijne dag verder,’ de rechercheur verliet de afdeling.
‘Geen prul die rechercheur,’ zei Karin. ‘Kom op dames vertel mij "all you know ..." , riep Marianne, het drietal ging de personeelskamer binnen.

Frank verliet het AZM, die dokters, die menen nu werkelijk dat ze boven iedereen verheven zijn. ‘Maar goed die man zal voorlopig wel nergens heen gaan,’ mompelde hij in zichzelf. Dit is nu weer zo'n typisch klusje dat ze aan mij toebedelen, dacht hij. Sinds hij als rechercheur in Maastricht begonnen was, nu toch al weer enige jaren geleden, kreeg hij als de jongste van de afdeling alle rotklusjes. Hier ga je de krant echt niet mee halen dacht hij hardop. Maar hij vond het wel een vreemd verhaal zo’n man gevonden aan de rivieroever midden in de winter, gewikkeld in bandages of zoiets. Eigenlijk had ik naar die bandages moeten vragen, ‘shit!’ , hoe kan ik dat nu vergeten. Hij zette de auto langs de kant van de weg en belde het AZM afdeling A7. Pfffff, nou dat was op het nippertje geregeld, ze halen de bandages uit de vuilnisbak en ze worden bewaard. ‘Bewijsmiddelen moet je veiligstellen rechercheurtje…, prutsertje…’ zei hij hardop.
Ja, tegen drie vrouwen, daar moet je maar tegen kunnen. Die dokter zag er trouwens ook echt lekker uit...zo mijmerde hij nog even voort.
Plotseling draaide hij de auto en ging richting de rivier de Maas. Ik ga toch even kijken waar ze die man gevonden hebben, dacht hij, ‘…ik lijk wel Sherlock Holmes...’ , hij lachte hardop, als ik maar geen modder aan mijn schoenen krijg, of in het water donder.
Kom op man niet zeuren, Frank stapte uit de auto en liep richting de rivieroever, op zoek naar sporen of wat dan ook. ×
SERVICE
Contact
 
Vragen