€ 24,95

ePUB ebook

  € 9,95

PDF ebook

  € 9,95

Meer van deze auteur

  • Cover Honger!
    Honger!
  • Cover Honger!
    Honger!

Honger!

Een documentaire thriller

Johan G. Hahn • Boek • paperback

  • Samenvatting
    In delen van Afrika heerst honger, telkens opnieuw. Iedereen weet dat, maar niemand lijkt daar iets aan te kunnen of willen doen. Europese en lokale regeringen niet, hulporganisaties niet, bedrijven niet. Lokale ondernemers, internationale ngo’s en grote voedselproducerende bedrijven verdienen hun geld aan de honger van anderen. Zij produceren, verhandelen, vervoeren en verdelen voedsel in de vorm van noodhulp. Jonge hoogopgeleide mensen in Afrika willen dat systeem veranderen.
    Een Parijse advocaat is de leider van een grote organisatie die de ICT-systemen van bedrijven hackt en voedseltransporten een andere bestemming geeft. Containers met voedsel komen zo in Afrika terecht bij mensen die honger lijden. Bedrijven durven geen aangifte te doen uit angst voor negatieve publiciteit.
    Dan verdwijnt de directeur van een groot chemieconcern en worden er drie moorden gepleegd. De politie tast in het duister over de motieven en de mogelijke samenhang.
    Als de Transparency Foundation probeert de gecompliceerde achtergronden te ontrafelen, stuit zij op een wereldwijd voedselschandaal. Haar publicatie schokt de wereld.
  • Productinformatie
    Binding : Paperback
    Distributievorm : Boek (print, druk)
    Formaat : 145mm x 210mm
    Aantal pagina's : 367
    Uitgeverij : Skidiz
    ISBN : 9789081558754
    Datum publicatie : 10-2017
  • Inhoudsopgave
    niet beschikbaar
  • Reviews (9 uit 1 reviews)

    03-01-2018
    Een boek, dat je wereldbeeld doet wankelen.
    Johan Hahn weet op een spannende, maar ook goed gedocumenteerde manier je aan het denken te zetten met zijn documentaire thriller Honger. Het boek is spannend, angstaanjagend, maar ook realistisch cynisch. Politiek, macht en belangen van de industrie versus de wereld van hoop en toekomst van de gewone mensen in Afrika komen in dit boek schrijnend naar voren. Als je dit boek gelezen hebt, kijk je anders naar berichten over vluchtelingen uit Afrikaanse landen. Een echte aanrader.

       Mooi geschreven.
       belangwekkend onderwerp.

    Geplaatst door
    Waardeert het boek met een 9 uit 10

€ 24,95

3-5 werkdagen
Veilig betalen Logo
14 dagen bedenktermijn
Delen 

Fragment uit het boek

Eerste hoofdstuk (fragment)

Ousmane Mohammadu schrok wakker van zijn eigen droom. Hij had van Don Juan gedroomd. De Indiaanse magiër die men-sen zomaar in een andere werkelijkheid terecht kon laten komen. Hij begreep niet precies wat dat betekende, kende alleen zijn eigen werkelijkheid. De werkelijkheid van zijn dorp ver weg aan de oe-vers van de Niger. Hij kende de werkelijkheid van Port Harcourt, de grote havenstad waar hij vier jaar had gestudeerd. Hij kende de werkelijkheid van zijn barre tocht naar het noorden, dwars door de dodelijke Sahara op zoek naar leven, naar veiligheid, naar een toekomst, naar werk. Hij kende de werkelijkheid van het hier en nu, van het schommelende, roestige, stinkende schip ergens op de Middellandse Zee waarop hij samen met honderden anderen rich-ting Italië voer.
Een paar jaar geleden had hij de beduimelde pocket van Carlos Castaneda gevonden in de universiteitsbibliotheek. Hij had er wat in gebladerd en het grappige verhaal gelezen van Don Juan die je een klap gaf en dan was je opeens in een andere werkelijkheid. Hij had de pocket weer teruggelegd en was het verhaal even snel weer vergeten als hij het gelezen had. En nu, weggedoken op het dek van dit gammele schip, was hij in een onrustige slaap gevallen en droomde hij van Don Juan. Een verhaal dat hij diep in zijn onder-bewuste had bewaard. Dat nu opkwam in zijn droom en hem wakker had gemaakt.
Na zijn studie was hij met zijn diploma op zak teruggekeerd naar zijn dorp aan de oever van de Niger, ten zuiden van Yelwa. In Port Harcourt was net zomin werk te vinden als in Lagos of in Abidjan. Hij had na zijn studie met gelegenheidsbaantjes een beet-je geld verdiend. Daar kon hij net wel of net niet van rondkomen, zoals de meeste van zijn vrienden. De ene dag had hij honger. Een andere dag verdiende hij genoeg om een vriend uit te nodigen voor een eenvoudige maaltijd. Soms nodigde een vriend hem uit om iets te eten. Zo had hij in de stad overleefd, als afgestudeerde ICT-ingenieur.
Na een half jaar had hij van een vriend geld geleend voor het buskaartje naar zijn geboortestreek. Of hij het geld ooit zou kun-nen terugbetalen, wist hij niet. De reis had vier dagen geduurd. De laatste 40 kilometer, langs de Kotangora-Jega Road, vanaf het bus-station in Yelwa naar het noorden, had hij een lift gekregen van een vrachtwagenchauffeur die graan vervoerde naar een van de vluchtelingenkampen. Die had hem verteld over zijn werk: graan laden bij het treinstation, honderden kilometers rijden. Dan graan uitladen te midden van talloze hongerige mensen die in tenten leefden in de brandende zon. Hij verdiende er goed mee, maar vroeg zich af waar hij mee bezig was, waar het land naartoe dreef. Ousmane had lang nagedacht over het verhaal van de chauffeur. Het had hem niet losgelaten. Waar dreef zijn land naartoe? Geen werk voor jonge mensen. Een bizarre burgeroorlog tegen Boko Haram in het noordoosten. Opstandelingen in de mangrove ge-bieden in de omgeving van Port Harcourt, waar grote oliemaat-schappijen veel geld verdienden, maar waar de lokale bevolking in armoede leefde. En de regering hulde zich in rijkdom en zwijgen. Het maakte niet uit welke partij er toevallig aan de macht was. Po-litici waren er enkel voor hun eigen belang en voor dat van hun rijke vrienden, niet voor het arme deel van de bevolking. De poli-tiek in zijn land was verziekt door corruptie en nepotisme.

Zijn hele bezit had Ousmane in een kleine rugzak gestopt. Onderin zaten zijn diploma en zijn andere papieren, erboven op zijn kleren. Veilig daartussen zijn kostbaarste bezit: zijn laptop. En het enige boek dat hij bezat: de koran. Hij las er nooit in, maar hij had er geen afstand van kunnen doen. Het herinnerde hem aan zijn grootvader, die twee jaar geleden was overleden. Ze hadden hem dood bij de schapen in het veld gevonden. Stil gestorven in de schaduw van een eenzame boom. Zijn zuster had hem gebeld, maar er was geen geld voor de reis om naar de begrafenis te ko-men. Zijn zuster had hem een foto van het graf gestuurd, die nu als bladwijzer voorin in het Heilige Boek lag. Verder was hij niet gekomen met lezen. De eerste soera, waar alles in stond, had zijn grootvader gezegd. Hij had het Boek van hem gekregen toen hij naar de stad vertrok om te studeren. Het was dan wel het enige boek dat hij bezat, maar religie en geloof interesseerden hem ei-genlijk niet. Net zomin als de verziekte politiek van zijn land hem interesseerde. Het was allemaal een potnat: corruptie en religieus conservatisme ruïneerden het land. Kortzichtige criminelen, die zichzelf moslim noemden, trokken moordend en rovend door de-len van het land en de regering kon of wilde er niets tegen doen. Hij wilde daar geen deel aan hebben. Noch aan de moordende re-ligieuze criminelen, noch aan de corrupte regering. Hij wist dat als hij een baan zou aannemen in Nigeria hij vrijwel zeker ook cor-rupt zou moeten zijn. Zonder corruptie kon geen mens het in dit land volhouden. Dat was de werkelijkheid waarmee hij, net als miljoenen Nigerianen, leefde. Dat was de werkelijkheid die dui-zenden jongeren achter zich wilden laten. Er was voor hem als in-tellectueel, als kritische ICT-ingenieur geen toekomst in zijn land. Hij zou er geen kans krijgen, omdat hij niet bij de juiste bevol-kingsgroep hoorde en bovendien de verkeerde politieke inzichten had. Hij was bekend als een tegenstander van de kliek die aan de macht was en die alleen de eigen mensen bevoordeelde. Hij had er genoeg van en wilde alleen nog maar weg. Naar Europa, naar het paradijs, waar hij kon werken. Van waar hij geld naar huis kon stu-ren zodat zijn moeder, zijn grootmoeder, zijn kleine broertje en zijn zusters het ook beter zouden hebben. Hij wilde zijn beide zusters laten studeren. Hij zou, als oudste zoon, zijn verantwoor-delijkheid nemen en op weg gaan naar een betere toekomst.

Hij had er lang over nagedacht en er met zijn oom over gesp-roken. Die had geaarzeld en de maraboet in het dorp willen raad-plegen. Hij vond het best, ook al had hij niets met die heilige mannen die meenden alles te weten. De weg was ver en moei-zaam, had de maraboet hem gezegd. Maar de weg was vooral heel erg gevaarlijk. Dwars door het gebied waar Boko Haram het voor het zeggen had en dood en verderf zaaide. Dat maakte de prijs hoog. Hij moest drieduizend US-dollar voor vertrek betalen aan het reisbureau en nog eens tweeduizend bij aankomst in Libië. Dat was heel veel geld. Het was de beste prijs die het reisbureau in Lomé vroeg voor de reis naar Europa. De reisagent wist een veili-ge weg om naar Europa te komen. Veiliger dan de weg via het noorden van Nigeria.
Het eerste deel van de reis had hij alleen moeten afleggen. Van Yelwa via Nikki naar Parakou in Benin en vandaar via Djougou naar Kara in Togo. Daar had hij zich bij een groep uit Lomé ge-voegd, die achter op een vrachtwagen naar het noorden reed. In Niamey in Niger waren ze na dagen wachten op een andere vrachtwagen overgestapt, die hen via Agadez dwars door de Sahel en de Sahara naar Al Qatrun in Libië had gereden. Het was een flinke omweg, maar ze vermeden zo verschillende crisisgebieden en dat was veiliger. Het geld had de reisagent nodig voor de tic-kets en voor de onkosten, zoals hij ze noemde. Bij sommige weg-blokkades moest betaald worden en ook de politie en de grens-wachten vroegen geld om je door te laten.
In Al Qatrun hadden ze drie dagen moeten wachten voor het met een Libische truck verder ging. Ze hadden het laatste deel van de reis meestal ’s nachts gereden, omdat de weg overdag niet veilig was. Gewapende groepen, die je beter niet tegen kon komen, zwierven door de woestijn op zoek naar prooi. Overdag hielden ze zich schuil en konden ze rusten in de schaduw van de vracht-wagen of in een veilig dorpje waar ze doorheen kwamen.
Hun groep was inmiddels aangegroeid tot vijftig mannen, vrouwen en kinderen. De meesten kwamen uit het noorden van Nigeria op de vlucht voor het geweld, de uitzichtloze armoede en de honger. Maar vooral voor de wrede heerschappij van Boko Ha-ram, die in het noorden van Nigeria de dienst uitmaakte en de sharia ingevoerd had. De terreurgroep die onverwacht opdook en toesloeg en hele dorpen uitmoordde enkel en alleen omdat de meisjes er naar school gingen. Wie kon ontvluchtte het noorden van het land en ging op zoek naar veiligheid, naar werk, naar eten. In het zuiden van het land hadden ze ook geen kans. Daar waren de christelijke groepen die hun islamitische landgenoten haatten. De enige veilige weg liep naar het noorden, het land uit, naar een nieuwe toekomst.
Het duurde bijna drie maanden voor Ousmane Mohammadu de Middellandse Zee zag.
2
Het was donker om hem heen. De motor stampte in een zwaar, regelmatig ritme. De meeste mensen op het dek leken te slapen. Iemand snurkte. Ergens verder weg jengelde een kind. Hij was de afgelopen maanden wel wat gewend. De reis door de Saha-ra was moeizaam en zwaar geweest.
Ousmane glimlachte. Hij was op weg naar ‘Germany’, naar het paradijs. Het was geen droom. Het was de plek op aarde waar hij naar verlangde, ook al was hij er nooit geweest. Hij had de verha-len gehoord van de neef van een vriend, die een paar jaar eerder vertrokken was uit zijn geboortedorp. Hij had de foto’s gezien op de telefoon van zijn vriend. De neef had nu een mooie, grote auto en droeg chique kleren. Hij had de foto gezien van de Mercedes waar hij trots naast stond, zijn hand op de glanzende Mercedes-ster. De neef had het helemaal gemaakt in ‘Germany’. Maar het was wel vreemd dat hij nooit geld naar huis stuurde zoals hij had beloofd. Hij stuurde alleen af en toe een foto via zijn telefoon. Verder liet hij nooit iets van zich horen. Dat vond Ousmane niet in orde. Hij zou dat anders doen. Eerst zorgen voor zijn familie en dan de luxe dingen waar hij van droomde.
Hij dacht aan zijn familie, aan zijn moeder en zijn oma, aan zijn broertje en zijn beide zusjes. Aan zijn vader die visser was ge-weest op de Niger en later vishandelaar was geworden. Hij had op een dag zijn boot van de hand gedaan, een vrachtauto gekocht en een groot aantal dozen van isolerend piepschuim. Hij vulde de dozen half met ijs. Daarmee ging hij naar de vissers in de dorpjes langs de oevers van de Niger en kocht hun vangst van de dag. Die bracht hij vervolgens naar de markt in Yelwa. Daar verkocht hij de vis met winst aan de markthandelaren. Op de terugweg nam hij een nieuwe lading ijs mee. Ousmane en zijn broertje hadden thuis tot taak om het ijs klein te hakken.
Sommige vissers die verder de Niger opvoeren namen ijs en dozen mee om hun vangst vers te houden, maar de meesten had-den er genoeg aan, om hun vangst aan de oever in de klaarstaande dozen met ijs te doen. Zijn vader verdiende met de vishandel meer dan de vissers, genoeg om het gezin van te onderhouden en zijn zoon in Port Harcourt te laten studeren. Die zou later met zijn jongere broer de vishandel kunnen overnemen. Dat waren zijn plannen. Gelukkig wist toen nog niemand dat het allemaal an-ders zou lopen. Dat zijn vader met zijn vrachtauto dodelijk zou verongelukken in een hinderlaag van soldaten die dachten dat hij een lid was van Boko Haram, terwijl in zijn streek Boko Haram helemaal niet actief was.
Samen met een buitenlandse ngo spande Ousmane een proces aan om van de lokale regering een schadevergoeding voor de dood van hun vader te krijgen. Zij verloren het proces en Ousma-ne verzette zich tegen de onrechtvaardige behandeling van de zaak door de corrupte rechtbank. Hij klaagde in Abidjan de lokale rech-ters aan wegens corruptie en dat was voldoende reden om de aan-dacht te trekken van de gehate geheime dienst. Hij werd opgepakt, een paar dagen hardhandig verhoord en weer vrijgelaten. Maar hij wist dat hij niet langer veilig was omdat de rechters wraak zouden nemen. Dat wilde hij niet afwachten. Op een nacht begon hij aan zijn moeizame reis naar Europa. Sindsdien was hij op de vlucht.
3
Blue Sky. Een fraaie naam voor een grote stalen roestbak. Overdag gaf het schip wat het beloofde: een strakblauwe lucht en een hoog aan de hemel staande brandende zon. Er was nauwelijks schaduw te vinden in het met mensen volgepakte ruim. En ook op de boorden, de voorplecht en de achterplecht was schaduw schaars. In het ruim waren hekken aangebracht die het schip, dat voor veevervoer gebruikt was, in vakken verdeelde. Sommige vluchtelingen hadden er lappen of dekens overheen gehangen om toch iets van privacy en af en toe wat schaduw te hebben. Het ge-heel was niet meer dan een grote drijvende bak, die amper be-scherming bood tegen de brandende zon overdag en tegen de nachtelijke kou.
‘Als het maar niet gaat regenen,’ dacht Ousmane en hij keek omhoog naar de sterrenhemel.
De eerste uren aan boord had hij beneden in het ruim gezeten. Het was er lawaaierig geweest en het stonk er naar alles wat smerig was. Hij was moe en wilde slapen, maar dat was daar onmogelijk geweest. Hij was opgestaan en had geprobeerd wat heen en weer te lopen om een betere plek te zoeken. Hij moest over andere mensen heen stappen, mannen, vrouwen, kinderen, sommige nog bijna baby’s. Een smalle trap voerde omhoog naar het dek. Daar leek de lucht frisser, ook al gleed hij soms bijna uit over het afval dat overal rondslingerde. Hij was het hele schip rondgelopen langs de reling en had eindelijk een plekje gevonden waar hij kon liggen. Op het achterschip, ver genoeg van de schoorsteen af, waar zwar-te rook uit pluimde. Hij had behoefte aan frisse lucht. Als hij op-stond kon hij de zee zien en ruiken. Als hij zat of lag rook hij vooral de smerige lucht van het schip en de mensen om hem heen, zweet en pis en kots.
‘Hoe lang nog?’ vroeg hij zich af, terwijl hij weer wegzakte in een onrustige slaap.

Ousmane werd wakker doordat de man die naast hem zat te-gen hem aangezakt was. Hij had weer gedroomd. Een onrustige droom met flarden van zijn reis door de woestijn. Over zijn vader en zijn oudste zus die hem riepen en wenkten, maar hij kon niet naar hen toe. Hij liep steeds maar weer de andere kant op, weg van hen. Heel even droomde hij over een paradijselijk landschap, dat hij vlak voor zich zag, maar dat terugweek met elke stap die hij zette. Toen hij zijn ogen opende was hij weer terug in de rauwe werkelijkheid van een vluchteling op zoek naar veiligheid, naar een beetje leven. Niks paradijs. Een roestig schip ergens op de Middel-landse Zee onderweg naar de Italiaanse kust.
‘Hoe ver nog?’ Hij wist niet eens waarheen ze precies op weg waren. De kennis van zijn vriend had het over Europa gehad en over Italië dat als een laars de Middellandse Zee in stak tot vlak bij de Afrikaanse kust. Vanuit Libië was het niet meer ver per boot, had de man van het reisbureau gezegd. Voor de vijfduizend dollar zou hij op een vrachtschip mogen meevaren naar een Europese haven. Toen hij op een nacht, na een maand wachten in een oude fabrieksruïne in de buurt van Zuara in Libië aan boord ging, bleek dat hij niet de enige was.

Het laatste stuk van de reis door de woestijn, samengepropt met mannen en vrouwen in de bak van een oude legertruck, was vlot gegaan. De chauffeur had hen naar een oud, verlaten bedrij-venterrein buiten Zuara gebracht. Daar, in de ruïne van een oude fabriekshal, konden ze blijven tot ze aan boord zouden kunnen gaan van een boot die hen naar Europa zou brengen. Het schip lag een paar mijl voor de kust voor anker. Ze konden het zien lig-gen vanuit de ruïne waar ze moesten wachten. In de fabriekshal lagen dunne matrassen en er was water. Voor eten moesten ze zelf zorgen. Elke dag kwam er een handelaar die hen brood en fruit verkocht. Verhongeren hoefden ze niet, zich vervelen deden ze wel. Soms gingen ze met een groepje de stad in, naar de markt om iets anders te eten dan wat de handelaar verkocht.
Ousmane trok op met een groep van twaalf jonge mannen van zijn leeftijd met wie hij al vanaf Niamey in Niger samen reisde. Het leek er vanaf het begin op alsof ze een soort vaste gemeen-schap vormden. Negen kwamen uit het noordwesten van Nigeria en drie uit noordoosten van Ghana. Op de vrachtwagen hadden ze elkaars gezelschap opgezocht en onderweg veel met elkaar zit-ten praten. Af en toe hadden zo ook Ousmane in hun gesprekken betrokken. Ze hadden elkaar over hun dorp, over hun land en hun familie verteld. Steeds vaker hadden ze over koranverzen gespro-ken en over wat die voor hen betekenden. Maar hij had hen nooit zien bidden. Dat deed hij zelf ook niet. Als ze over koranverzen praatten zat Ousmane te luisteren net als een paar anderen die kennelijk ook niet veel afwisten van de koran. De meesten had-den, net als hij, gestudeerd en ontdekt dat je in Nigeria of Ghana geen baan zou kunnen vinden als ingenieur of econoom, als arts of jurist. Daarom waren ze op reis gegaan naar Europa, op zoek naar een land waar ze konden werken en leven. Er waren twee bij die net als Ousmane ook op de vlucht waren voor de Nigeriaanse geheime dienst.
Een van de twaalf had zich de eerste paar dagen afzijdig ge-houden en alleen maar geluisterd. Hij was ouder dan de anderen, had een scherp getekend gezicht met diepe groeven en een ver-weerde huid. Hij had een korte zwarte baard en droeg meestal jeans en een wit hemd. Hij was de enige die altijd een Tasbeeh in zijn hand had en de kralen ervan door zijn vingers liet gaan. Hij was ook de enige die, als het kon, vijf keer per dag richting Mekka bad. Zijn naam was Abu Feisal.
Toen de groep twee dagen in Zuara was, begon Abu Feisal te praten. Het waren wonderlijke woorden. Woorden die klonken alsof ze niet van deze wereld waren. Je hoorde wat hij zei. Je be-greep de woorden met je hart en je wist dat hij vertelde over wat jij had gezocht. Maar met je verstand kon je er niet bij. Abu Feisal vertelde over het wezen van de koran en hoe het boek je leven kon veranderen als je het goed las. En dan gaf hij voorbeelden van dat goede lezen. Voorbeelden die hen raakten en waar ze later sa-men nog lang over doorpraatten. Hij hoorde woorden die anders waren dan de die van de imam thuis. Daar kon Ousmane niet zo veel mee. Maar de woorden van Abu Feisal zetten hem aan het denken.
Het was een wonderlijke ervaring voor Ousmane. Hij had nooit veel met de koran op gehad. Wist nauwelijks wat erin stond. Maar de woorden van deze man maakten hem nieuwsgierig. Hij haalde af en toe de oude koran van zijn opa uit zijn rugzak en bla-derde erin. Dan las hij her en der een paar regels. Gaandeweg raakte hij in de tekst geïnteresseerd, ook al begreep hij niet veel van wat hij las. Het leek niet van deze tijd. Het literair Arabisch vond hij moeilijk om te lezen en te begrijpen. Op een late namid-dag vroeg hij Abu Feisal of hij hem een stuk tekst, dat hem was opgevallen, kon uitleggen. De man glimlachte en knikte. Ze zoch-ten een rustige plek op achter in de ruïne. Daar pakte hij zijn eigen kleine koran, las het stuk voor en begon het uit te leggen. Terwijl hij sprak en Ousmane luisterde ging de zon onder. Pas nu merkte hij dat de elf andere mannen zich rond hen verzameld hadden en ook luisterden naar de woorden van Abu Feisal. Een van hen zet-te een lamp in het midden van de kring.
Langzaam begon Ousmane het te begrijpen: deze elf mannen waren als groep onderweg. Zij hoorden bij elkaar en Abu Feisal was hun leider. Toen die aangaf dat zijn les voorbij was, vroeg Ousmane hem of hij het goed begrepen had dat zij als groep on-derweg waren.
Abu Feisal glimlachte en zei: ‘Inderdaad, Ousmane, wij zijn een cel van een grote islamitische organisatie die in Europa wer-ken van barmhartigheid doet voor onze broeders en zusters in Afrika. We zijn onderweg naar Parijs. Daar zullen wij instructies krijgen en vervolgens ergens naar het zuiden van Frankrijk gaan voor een speciale training. Daarna zullen wij uitzwermen over Eu-ropa en geduldig wachten tot het moment er is dat wij nodig zijn en actief moeten worden.’
Abu Feisal pauzeerde even en keek of Ousmane hem had be-grepen.
‘En wat gaan jullie precies doen in Europa?’ vroeg Ousmane.
‘Dat weten wij nog niet, maar het heeft in elk geval te maken met de strijd tegen de honger in Afrika. In Europa worden elke dag tonnen voedsel weggegooid, terwijl in Afrika miljoenen men-sen doodgaan, omdat ze niet genoeg te eten hebben. De spilzucht van de blanken heeft de wereld aan de rand van de afgrond ge-bracht. De blanken leven niet meer volgens hun boek, de bijbel. Alleen zij die de weg van De Profeet volgen en naar de koran le-ven, kunnen misschien vanuit het spilzuchtige Europa iets doen aan de honger in Afrika. De tomeloze spilzucht, de verkwisting van voedsel willen wij in het hart van Europa, aan de wortel aan-pakken. Onze leider in Parijs heeft een groot plan, dat wij samen met hem gaan uitvoeren.’
‘Maar hoe kun je nou iets bereiken met twaalf man?’
Ousmane merkte dat zijn vraag bijna cynisch klonk en hij ge-neerde zich een beetje om zijn kritische houding.
Abu Feisal glimlachte. ‘Er zijn in de geschiedenis wel meer grote veranderingen in gang gezet door een groepje van twaalf man. Het hang niet af van het aantal, maar van de inzet en de wil om iets te bereiken’.
Ousmane knikte en zweeg.
Abu Feisal ging verder: ‘Wij zijn met veel meer dan twaalf man. Er zijn een paar honderd cellen zoals die van ons. Er zijn grote en kleine cellen. Elke cel heeft een eigen taak en werkt auto-noom. De meeste cellen hebben geen contact met elkaar. Daar-door is de organisatie minder kwetsbaar. Door het plan van onze leider kunnen wij wel heel goed samenwerken en elkaar verster-ken. Onze leider coördineert de inzet van alle cellen. Wij hoeven alleen maar zijn opdrachten uit te voeren. Dat maakt ons zo effici-ent en zo effectief. Niet lang praten en afstemmen, maar beslissen en actie ondernemen. Al die kleine activiteiten van die kleine cel-len vormen samen een groot geheel. Net als de vele organen in het menselijk lichaam elk een eigen taak hebben, maar samen het li-chaam tot leven brengen en in leven houden. Of misschien moet je ons met een leger sprinkhanen vergelijken. Twaalf sprinkhanen kunnen weinig aanrichten, maar een grote zwerm sprinkhanen kan een hele oogst vernielen.’ Hij glimlachte om het beeld van de sprinkhanen en voegde eraan toe: ‘Alleen willen wij niets vernie-len, maar juist iets opbouwen.’
Ousmane staarde voor zich uit. Hij wist niet wat hij moest zeggen. Heel diep vanbinnen voelde hij, dat dit misschien wel het-geen was waar hij naar zocht. Werken aan een wereld met minder honger, waar gerechtigheid de norm was. Tijdens zijn studenten-tijd in Port Harcourt had hij geregeld meegedaan aan demonstra-ties tegen de corrupte regering. Ze hadden in kleine groepjes tot diep in de nacht gepraat over hun eigen plaats in hun land en in de wereld. Ze hadden gehoopt op verandering en verbetering, maar hun vreedzame protesten hadden niets uitgehaald. Het had hen hooguit een dossier opgeleverd bij de geheime dienst. Hij wist dat een aantal van zijn jaargenoten was teruggegaan naar het noorden van het land en zich had aangesloten bij gewapende groepen zoals Boko Haram. Niet omdat ze opeens vrome salafisten geworden waren, maar omdat ze hun machteloosheid vorm en inhoud wil-den geven. Ze hadden uit radeloosheid naar de wapens gegrepen.
‘Bestaat elke cel uit elf man?’
‘Nee’, glimlachte Abu Feisal. ‘De grootte van een cel ligt niet vast. De regel is dat een cel hanteerbaar moet zijn, dus niet te groot kan zijn. Mij leek een cel van twaalf man het beste. De ge-schiedenis heeft laten zien dat twaalf een mooi rond getal is’, en hij keek Ousmane met zijn grote, ernstige ogen aan. Hij zei verder niets meer, stond op, wenste iedereen een goede nachtrust en ver-dween in het donker.
De anderen bleven nog zitten en praatten na over wat hun lei-der, hun ‘Zaeim’ zoals ze hem noemden, had gezegd. Het was al laat toen Ousmane in de hoek van de ruïne op zijn matras lag en probeerde te slapen. Hij lag nog lang wakker en staarde door het gat in het dak naar de sterren aan de wolkeloze hemel. Zou hij zich bij het groepje aansluiten? Maar wat wilden ze nou precies. Het was allemaal zo vreemd, zo vaag. Hij had gehoord van radica-le groepen als IS of Daesh, maar deze jongens leken daar niet bij te horen. Ze waren dan wel teleurgesteld in hun land en in hun overheid, maar hij geloofde niet dat zij met Kalasjnikovs of mes-sen zinloze moorden zouden plegen. Langzaam zakte hij weg in een droomloze slaap.
Toen hij de volgende dag wakker werd, waren ze verdwenen. ×
SERVICE
Contact
 
Vragen