€ 29,00

ePUB ebook

niet beschikbaar

PDF ebook

niet beschikbaar

Meer van deze auteur

  • Cover Slinkend Brein
    Slinkend Brein
  • Cover Wie zijn wij?
    Wie zijn wij?

Farmacotherapie bij ouderen

Jan van Ingen Schenau • Boek • paperback

  • Samenvatting
    Ouderen zijn farmacotherapeutisch gezien geen aliens en komen niet van Mars. Niettemin zijn er wel enige verschillen vergeleken met jongere leeftijdsgroepen.

    Begin 2015 is mijn boek "Medicijnen voor Senioren' uitgekomen, dat speciaal voor ouderen is geschreven. Een belangrijke reden om dat boek te schrijven was om inzicht te geven in wat medicijnen zijn. Een andere belangrijke reden is om te schrijven over medicijnen voor senioren. Dus welke risico's van medicijngebruik liggen specifiek bij deze leeftijdsgroep op de loer? Kennis van zaken is daarom voor de gebruiker van belang.

    Dit boek is speciaal voor artsen geschreven waarbij de medicatie bij ouderen op de voorgrond staat. Wat zegt het Farmacotherapeutisch Kompas over ouderen? Wat zeggen de NHG Standaarden over senioren? En andere richtlijnen? In dit boek zullen medicijngroepen aan bod komen die een rol spelen bij de farmacotherapie bij ouderen. Ook de indicaties van geneesmiddelen worden besproken, waarbij ziektebeelden worden toegelicht alleen op de onderdelen waar het op ouderen toepasbaar is. Therapieën en richtlijnen zullen gescreend worden op medicamenteuze adviezen voor of kanttekeningen bij ouderen. Tevens zullen recente wetenschappelijke studies over ouderen kort besproken worden. Verder komen adviezen voor kwetsbare ouderen aan bod en de STOPP en START criteria.

    Jan van Ingen Schenau, senior en werkzaam geweest als specialist ouderengeneeskunde
  • Productinformatie
    Binding : Paperback
    Distributievorm : Boek (print, druk)
    Formaat : 150mm x 215mm
    Aantal pagina's : 251
    Uitgeverij : Niet bekend
    ISBN : 9789081450584
    Datum publicatie : 02-2016
  • Inhoudsopgave
    INHOUD

    Waarom dit boek?
    GENEESMIDDELEN EN OUDEREN

    1 Medicijnen en senioren 10

    2 Polyfarmacie 16

    3 Therapietrouw 21

    4 STOPP en START criteria 26

    5 Kwetsbare ouderen 28

    6 Richtlijnen en wetenschappelijke studies 31

    MEDICIJNGROEPEN

    7 Opzet van de medicijngroepen 34
    BLOED

    8 Anticoagulantia 36

    9 Statinen 43

    10 Middelen bij anemie 48

    CARDIOVASCULAIRE AANDOENINGEN

    11 ACE-remmers 52

    12 Betablokkers 57

    13 Calciumantagonisten 64

    14 Digitalis 70

    15 Diuretica 75

    16 Nitraten 80
    HORMONEN EN S TOFWISSELING

    17 Glucoseverlagende middelen 83

    18 Thyreomimetica en thyreostatica 88

    19 Bisfosfonaten bij osteoporose 94
    LUCHTWEGEN

    20 Luchtwegverwijders 99
    MAAG EN DARMEN

    21 Anti-diarreemiddelen 102

    22 Laxantia 104
    23 Medicijnen bij peptische aandoeningen 106
    NEUROLOGISCHE AANDOENINGEN

    24 Anti-epileptica 111

    25 Antiparkinsonmiddelen 117

    26 Middelen bij dementie 122

    27 Middelen bij duizeligheid 130

    28 Migrainemiddelen 133
    PSYCHISCHE AANDOENINGEN

    29 Antidepressiva 137

    30 Antipsychotica 152

    31 Benzodiazepinen 161

    32 Hypnotica 163

    33 Lithium 167
    ANALGETICA EN JICHTMIDDELEN

    34 Pijnladder van de WHO 172

    35 Paracetamol 173

    36 NSAID's 176

    37 Opiaten 179

    38 Middelen bij jicht 182
    URINEWEGEN

    39 Middelen bij urine-incontinentie 186

    40 Middelen bij urineretentie 190

    41 Middelen bij urineweginfecties 193

    MEDICIJNEN EN GENETICA

    42 `Medicijnen op het lijf geschreven' 196

    Geraadpleegde literatuur 200

    Trefwoordenregister 225
  • Reviews (0 uit 0 reviews)

€ 29,00

niet beschikbaar

niet beschikbaar

2-4 werkdagen
Veilig betalen Logo
14 dagen bedenktermijn
Delen 

Fragment

WAAROM DIT BOEK?

Ouderen zijn farmacotherapeutisch gezien geen aliens en komen niet van Mars. Niettemin zijn er wel enige verschillen tussen de oudere leeftijdsgroep en jongere leeftijdsgroepen. We moeten dan wel de groep ouderen eerst definiëren. Want als de oudere leeftijdsgroep soms al begint op 40-jarige leeftijd, wanneer een mensenleeftijd net goed op stoom komt, dan noemen we onszelf al veel te vroeg oud.

Het Nationaal Kompas Volksgezondheid spreekt van ouderen, als het om de arbeidsmarkt gaat, van een leeftijd boven de 50 jaar. De AOW-leeftijd geldt voor de 65-jarige leeftijd, hoewel die nu al per jaar 3 maanden naar boven opschuift. De leeftijd van ouderen die een steeds groter beroep doen op de gezondheidszorg is 75 jaar, maar daarvoor is natuurlijk al de medische achteruitgang ingezet, die vooral vanaf de 70-jarige leeftijd begint.

Om een idee te geven hoe (veel te) breed de groep ouderen wordt gedefinieerd, kijken we even naar de verschillende leeftijdsgroepen. Op jongere leeftijd barst het van de leeftijdscategorieën, zoals pasgeborene, peuter, kleuter, kind, puber, adolescent, jong volwassene en volwassene. Het zou dan toch heel raar zijn als de leeftijdsperiode voor de 'oudere' een periode van 50 jaar beslaat of nog langer, waarbij (niet helemaal theoretisch) moeder, kind en kleinkind alle drie tot de groep ouderen kunnen behoren.

Het begrip oudere of senior (zoals de Amerikanen dat zo aardig zeggen over hun 'senior citizens'), is veel te ongenuanceerd. Dat het begrip ouderen op een hoop gegooid wordt, is daarom feitelijk een verlegenheidsterm. Wetenschappelijk gezien weten we medisch en psychologisch ook nog maar weinig van de verschillende leeftijdsgroepen senioren. Een indeling die wel wordt gehanteerd is die van jongere ouderen (60-70 jaar), oudere ouderen (70-80 jaar) en oudste ouderen (boven de 80 jaar). Als meer onderzoek wordt gedaan naar het wel en wee binnen die leeftijdsgroepen, ontstaat er misschien een differentiatie die zinvol is. Een differentiatie die leidt tot eigen specifieke kenmerken van deze `subgroepen' senioren en wellicht ook leidt tot verschillende farmacotherapeutische benaderingen.

Begin 2015 is mijn boek "Medicijnen voor Senioren' uitgekomen, dat speciaal voor ouderen is geschreven. Een belangrijke reden om dat boek te schrijven is om inzicht te geven in wat medicijnen zijn. Een andere belangrijke reden is om te schrijven over medicijnen voor senioren. Dus welke risico's van medicijngebruik liggen specifiek bij deze leeftijdsgroep op de loer? Kennis van zaken is daarom voor de gebruiker van belang, waardoor ouderen hun eigen `waakhond' over hun gezondheid kunnen zijn. De senioren die dat willen, kunnen dan een gesprekspartner van de arts worden en, samen met u, een team vormen dat waakt over het medicijngebruik.

Waarom dit boek? In dit boek zullen ouderen de rode draad zijn. Wat zegt het Farmacotherapeutisch Kompas over ouderen? Wat zeggen de NHG Standaarden over senioren? En andere richtlijnen? In dit boek zullen medicijngroepen aan bod komen die een rol spelen bij de farmacotherapie bij ouderen. Ook de indicaties van geneesmiddelen worden besproken, waarbij ziektebeelden worden toegelicht alleen op de onderdelen waar het op ouderen toepasbaar is. Therapieën en richtlijnen zullen gescreend worden op medicamenteuze adviezen voor of kanttekeningen bij ouderen. Tevens zullen recente wetenschappelijke studies over ouderen kort besproken worden. Verder komen adviezen voor kwetsbare ouderen aan bod en de STOPP en START criteria.

Ik hoop dat u dit boek waardevol zult vinden en kunt gebruiken in uw praktijk.

Jan van Ingen Schenau
Senior en werkzaam geweest als specialist ouderengeneeskunde


1 Medicijnen en senioren

Hoewel het lichaam heel wat kan hebben en er heel wat potjes gebroken kunnen worden vóór er echt iets misgaat, is de leeftijd de grote spelbreker. De reserves raken op, waardoor de kans op ziekte toeneemt. Bij de `jonge' ouderen loopt het nog niet zo'n vaart, maar bij ouderen die de 70 jaar zijn gepasseerd is het oppassen geblazen. Weliswaar is het hart een onvermoeibare werker, maar door atherosclerose, hypertensie en slechte coronaire vaten kan er na twee miljard hartslagen wel eens iets mis gaan. Het is dan ook te verwachten dat op oudere leeftijd coronaire hartziekten, hartfalen en atriumfibrilleren veelvuldig voorkomen. Maar ook andere delen van het lichaam zijn de `slijtagedans' niet ontsprongen. Zo zien we in de top 10 `Ziekten bij ouderen' naast cardiovasculaire aandoeningen ook artrose, visus- en gehoorstoornissen, COPD, diabetes mellitus, osteoporose en rugklachten. Een gevolg hiervan is een aanzienlijk medicijngebruik, zoals anticoagulantia, betablokkers, proton-pompremmers, ACE-remmers, statinen en bloedglucose-verlagende middelen, om maar een paar te noemen.

Medicijnen zijn immers de wapens bij uitstek die de geneeskunde hanteert bij ziekte. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ouderen, die zo'n 15% van de bevolking uitmaken, maar liefst meer dan een derde van alle genees-middelen gebruiken. En het gekke is dat medicijnen bij deze leeftijdsgroep het minst zijn onderzocht, hoewel daar nu wel verandering in komt. Wetenschappelijke studies hebben vaak strenge in- en uitsluitingscriteria en focussen zich doorgaans op één aandoening. Lang niet alle ouderen voldoen aan die criteria. Daarom zijn veel deelnemers aan studies jonger dan 65 jaar. De resultaten daarvan die verkregen zijn bij jongere leeftijdsgroepen worden dan toegepast bij ouderen, terwijl dat niet echt bewezen is. Niettemin is zo'n aanpak natuurlijk wel terecht, want anders zou het geneesmiddelenarsenaal voor de oudere bevolkingsgroep een stuk minder worden en bovendien mogen we er ook vaak vanuit gaan dat de onderzochte geneesmiddelen eveneens bij ouderen effectief zijn.

Waar moeten we vooral op letten bij farmacotherapie bij ouderen? We kunnen denken aan een aantal aspecten:

Farmacokinetiek
Absorptie
Albumine
First-pass effect
Afname van de activiteit van het cytochroom P-450 (CYP)
Verdeling
Biotransformatie
Eliminatie
Farmacodynamiek
Bijwerkingen
Interacties

Farmacokinetiek
Nadat het geneesmiddel is ingenomen, begint de absorptie ervan in het bloed. Sommige medicijnen worden versneld en andere weer vertraagd opgenomen, maar vaak is er ook geen verschil tussen ouderen en jongeren. Zo wordt paracetamol even snel opgenomen, maar gaat het bij ijzertabletten wat langzamer.

Eenmaal in het bloed wordt een deel van het medicijn gebonden aan albumine. Zoals we weten is alleen het vrije geneesmiddel werkzaam en hoe meer geneesmiddel gebonden is aan albumine, hoe minder effectief het is. In geval van polyfarmacie zullen de verschillende medicijnen met elkaar `concurreren' om een plek op het albumine en als gevolg daarvan wisselen de vrije fracties geneesmiddel en dus ook de effectiviteit. Deze concurrentiestrijd zal natuurlijk tot meer interacties leiden als er meer polyfarmacie is. Paradoxaal genoeg zijn de geneesmiddelen die er het beste in slagen een plek op het albumine te veroveren, het minst werkzaam, omdat de concentratie van de vrije fractie lager wordt. Daarnaast kan bij een slechtere leverfunctie de hoeveelheid albumine afnemen, omdat dit eiwit in de lever wordt gemaakt. In dat geval zou een medicijn weer sterker werkzaam zijn.

Een aantal geneesmiddelen wordt al de eerste keer dat ze de lever passeren afgebroken, het first-pass effect. Zeker op hogere leeftijd neemt de leverdoorbloeding af en dat kan natuurlijk leiden tot een verminderde afbraak en meer beschikbaar medicijn. Zo hebben opiaten en antidepressiva een aanzienlijk first-pass effect. Bij verminderd functioneren van de lever kan de dosis dus wat verlaagd worden.

Met het ouder worden kan ook het P-450 enzymsysteem minder effectief worden, waardoor de werkzaamheid van geneesmiddelen beïnvloed wordt.

De verdeling van het medicijn over het lichaam is ook anders, omdat een ouder lichaam relatief `uitdroogt': het vochtgehalte neemt af en het vetgehalte neemt toe. Een gevolg kan zijn dat de hydrofiele farmaca in concentratie toenemen en de lipofiele farmaca langzamer worden uitgescheiden.

Biotransformatie is bedoeld om stoffen voor te bereiden voor eliminatie door de nieren. Maar niet alleen dat: de stoffen worden ook onwerkzaam gemaakt, de werking van een stof kan veranderd worden en zelfs prodrugs (onwerkzame geneesmiddelen) kunnen werkzaam worden. Biotransformatie vindt vooral in de lever plaats, maar ook in andere delen van het lichaam. Met het ouder worden gaan deze processen wat langzamer. Als dan ook nog de nierfunctie op oudere leeftijd verslechtert, dan heeft dat gevolgen voor de eliminatie van geneesmiddelen door de nieren.

Farmacodynamiek
Op latere leeftijd kan het aantal receptoren van cellen afnemen en gevoeliger of juist ongevoeliger worden voor medicatie. Als het aantal receptoren in de doelcellen verminderd is of gevoeliger zijn geworden, moet lager gedoseerd worden, maar als de receptoren op de doelcellen ongevoeliger zijn geworden, moet juist hoger gedoseerd worden. Omdat we dat meestal niet van te voren weten, is het beter om uit te gaan van `start low, go slow'. Van sommige medicijnen zijn er wel aanwijzingen wat de gevoeligheid is. Zo zou het centrale zenuwstelsel ongevoeliger zijn voor tricyclische antidepressiva, maar juist weer gevoeliger voor andere antidepressiva.

Bijwerkingen
Bij ouderen is de kans op bijwerkingen groter vergeleken met jongeren. Dat komt niet alleen omdat de reserves afnemen en de veranderingen in farmacokinetiek en farmacodynamiek, maar simpelweg ook doordat de oudere en vooral de oudste leeftijdsgroepen veel medicijnen gebruiken, die ieder op zich weer bijwerkingen en interacties kunnen geven. Uit de Nederlandse HARM-studie (2006)2 weten we dat ernstige bijwerkingen tot ziekenhuisopname kunnen leiden. Dat gebeurt bij oudere leeftijdsgroepen tweemaal zo vaak als bij jongere leeftijdsgroepen. Maar liefst de helft van deze opnames was een gevolg van een medicatiefout en zou te voorkomen zijn geweest.

Interacties
Zeker als er sprake is van polyfarmacie kunnen interacties voor veel problemen zorgen. Zo kunnen tricyclische antidepressiva de werking van sommige antihypertensiva, en met name betablokkers, versterken, waardoor de bloeddruk meer daalt dan wenselijk is. Een belangrijke combinatie bij ouderen is die van een diureticum en een SSRI, omdat deze middelen veel bij deze doelgroep voorgeschreven worden. Deze combinatie kan leiden tot een (ernstige) daling van het natriumgehalte, waardoor verwardheid, bewustzijnsdaling en insulten kunnen optreden. Alle reden dus om bij deze combinatie extra alert te zijn en zeker het natrium te controleren. Zo zijn er natuurlijk talloze mogelijke interacties waar we op moeten letten. Gelukkig zijn de geautomatiseerde systemen bij arts en apotheek hierbij behulpzaam.

Behandeling op maat
De `standaardoudere’ bestaat niet. Ouderen vormen niet de familie Doorsnee. Ze verschillen in aanleg, levenswijze, ziekte en ervaring, waardoor op hoge leeftijd gezondheid en reserves kunnen verschillen. Daarom zijn de bovengenoemde factoren betrekkelijk en moet individueel worden bekeken welke behandeling en dosering medicijn het beste is.


12 Betablokkers

Toepassingen
Angina pectoris
Hypertensie
Hartritmestoornissen

Sommige middelen zijn effectief bij
Een betere levensverwachting na een hartinfarct
Hartfalen
Migraine
Angst
Tremoren
Glaucoom (lokaal gebruik van betablokkers)

Betablokkers zijn één van de meest voorgeschreven medicijnen ter wereld en hebben voor miljoenen mensen een beter leven gebracht en zijn een doorbraak geweest op medisch gebied. In het midden van de vorige eeuw wilde de Schotse farmacoloog James Black de hevige pijn van angina pectoris verzachten. In die tijd was het enige dat voor deze ernstige pijnklachten beschikbaar was nitroglycerine. Zijn ontdekking van propranolol in 1964, de eerste betablokker, gaf een aanzienlijke pijnverlichting van angina pectoris, maar niet alleen dat. De kans op overlijden nam ook af. Al gauw werden meer toepassingen van betablokkers ontdekt, zoals hypertensie en hartritmestoornissen. Voor zijn baanbrekend werk kreeg Dr James Black in 1988 de Nobelprijs.

Wat heeft hij ontdekt? Omdat het stresshormoon adrenaline er voor zorgt dat het hart harder werkt, dacht hij aan een medicijn dat het stresshormoon tegengaat, waardoor het hart in rustiger vaarwater komt. Tegelijkertijd wilde hij de zuurstof-behoefte van het hart verminderen, want de pijn van angina pectoris ontstaat juist door een ischemie van het hartspier-weefsel. Met zijn betablokker sloeg hij twee vliegen in één klap.

Toepassingen

Angina pectoris
Het typische beeld bestaat uit een drukkend gevoel midden op de borst achter het borstbeen. Met uitstralende pijn naar hals, kaken of linker arm. Het angstzweet breekt uit en we hebben het gevoel dood te gaan. Lang niet altijd zijn deze symptomen bij ouderen herkenbaar. Sterker nog: soms ontbreken ze helemaal. Maar het kan ook zijn dat de klachten alleen moeheid zijn of een wegraking. Als er wel pijn is, kan het ergens anders zitten, zoals postprandiale pijn of rugpijn. Comorbide aandoeningen maken het er ook niet eenvoudiger op. Als er wél pijnklachten zijn, hoeft pijn op de borst nog niet te betekenen dat er sprake is van coronaire klachten, want het kan net zo goed een refluxoesofagitis zijn. En als er wel sprake is van coronaire pijn, dan hoeven die niet bij iedere aanval op te treden en wisselen de pijnlijke aanvallen zich af met stille ischemische aanvallen. Daarom is een 24-uurs ECG een belangrijk diagnostisch instrument.

Hypertensie
Vroeger werd een hogere systolische bloeddruk bij ouderen geaccepteerd. Zo was een druk van maximaal 160 mm Hg geen reden om te behandelen. Het tij keerde en ook voor ouderen werd een bloeddruk nagestreefd van maximaal 140/90 mm Hg. Maar de pendule zwenkt weer terug. Senioren zouden volgens de president van de American Society of Hypertension (Guideline 2014) naar de 150/90 mogen en de ontwikkelingen lijken zelfs naar de 160 te gaan. Ook de STOPP en START criteria nemen 160 als bovengrens waaronder niet behandeld hoeft te worden. Ook in Nederland zijn deze opvattingen te horen. Een gevolg van het verhogen van de systolische waarde is dat een grote groep ouderen niet meer behandeld hoeft te worden en niet meer blootstaat aan de bijwerkingen van antihypertensiva. Mocht deze tendens zich voortzetten, dan laat dat uiteraard onverlet dat hogere waarden wel behandeld moeten worden, want de gevolgen van ernstige hypertensie zijn niet mis.

Hartritmestoornissen (atriumfibrilleren en tachycardie)
Op oudere leeftijd neemt de kans op atriumfibrilleren aanzienlijk toe. Lijkt de prevalentie van nog geen 1% voor de eind vijftigers nog mee te vallen, voor de 85-plussers is het percentage al flink gestegen tot zo'n 18%. Een sterke comorbiditeit is hartfalen: bijna 1 op de 3 ouderen met atriumfibrilleren heeft ook hartfalen. Omgekeerd gaat hartfalen ook weer voor een derde van de gevallen gepaard met atriumfibrilleren.

Hartfalen speelt bij ouderen een rol in het ontstaan van een sinustachycardie. Ventriculaire tachycardie komt vooral bij ouderen voor.

Sommige middelen zijn effectief bij

Een betere levensverwachting na een hartinfarct
Zoals we gezien hebben zorgen betablokkers ervoor dat het hart meer tot rust komt, waardoor minder zuurstof wordt verbruikt. Dat is gunstig voor de situatie na een hartinfarct, waardoor de kans om opnieuw een hartinfarct te krijgen afneemt.
Hartfalen
Systolisch hartfalen komt praktisch niet voor onder de leeftijd van 60 jaar. Het begint echt serieus te worden boven de 70 jaar en 80-plussers lopen een nog grotere kans om hartfalen te krijgen. Mannen hebben iets meer kans op hartfalen, maar op zeer hoge leeftijd lopen de vrouwen in en passeren zelfs de mannen. Van de 1000 85-plussers lijden 200 aan hartfalen, dus één op de vijf. Bij de zestiger is deze verhouding ongeveer één op de 60, dus een stuk lager. Hartfalen komt praktisch nooit alleen. Meestal gaat het gepaard met meerdere ziektebeelden. Daarom ziet de prognose er ook niet rooskleurig uit. Een tijdige behandeling kan echter de kwaliteit van leven aanzienlijk verbeteren.

Migraine
Metoprolol en propranolol worden gebruikt om een migraine-aanval te voorkómen.



Angst
Betablokkers kunnen worden toegepast bij bepaalde angsten, zoals podiumangst.

Tremoren
Betablokkers kunnen eveneens toegepast worden wanneer er sprake is van ernstige tremoren, zoals tremoren door de ziekte van Parkinson.

Glaucoom (lokaal gebruik van betablokkers)
Glaucoom is een aandoening van de oogzenuw, waarbij vaak, maar niet altijd, sprake is van een verhoogde oogdruk. Ter vermindering van de oogdruk kunnen niet-selectieve beta-blokkers worden toegepast, maar ook de selectieve betablokker betaxolol.
Ouderen genoemd in de huidige therapieën en richtlijnen

Farmacotherapeutisch Kompas
De meeste betablokkers worden door de lever afgebroken. Atenolol, bisoprolol, celiprolol, pindolol en sotalol worden geheel of gedeeltelijk via de nieren uitgescheiden. Hiermee moet rekening worden gehouden bij de voor te schrijven dosis.
Bij labetalol en carvedilol moeten we alert zijn op ortho-statische hypotensie.

NHG standaard Cardiovasculair risicomanagement 2012. Volledige versie.
Betablokkers en ouderen worden niet specifiek in samenhang genoemd.

Ouderen lopen meer kans op de effecten van NSAID's om de bloeddruk te verhogen.

Vanaf de 70-jarige leeftijd kan de BMI iets ruimer worden geïnterpreteerd naar maximaal 30 kg/m3.

Ook bij behandeling van hypertensie boven de 70 jaar neemt de kans af op een CVA, coronairlijden en hartfalen.

Mocht orthostatische hypotensie bij een antihypertensieve therapie een probleem vormen, dan lijkt de voorkeur uit te gaan naar een ACE-remmer, eventueel in combinatie met een calciumantagonist.

Nederlandse Vereniging voor Cardiologie. Richtlijn hartfalen 2010.
Een lagere dosering van digoxine van 0,125 mg of zelfs 0,0625 mg is geïndiceerd bij ouderen met een afgenomen nierfunctie.
Opmerking Digoxine wordt nauwelijks nog gebruikt bij hartfalen, behalve nog als `ultimum refugium', als de toegepaste middelen voor hartfalen nog niet het beoogde resultaat hebben bereikt. Daarnaast heeft digoxine nog een functie bij eveneens aanwezig atriumfibrilleren, als de hartfrequentie meer dan 100 slagen per minuut is.

Recente wetenschappelijke studies

Betablokkers en depressie
In een Tilburgse studie5-2014 werd onderzoek gedaan naar de relatie tussen lipofiele betablokkers en depressie. Inclusiecriteria waren deelnemers zonder een doorgemaakt hartinfarct of hartfalen. Hun leeftijden lagen tussen de 60 en 85 jaar. De resultaten gaven aan dat er een significant verband was tussen lipopfiele betablokkers en hogere depressiescores vergeleken met de deelnemers aan de studie die geen lipofiele betablokkers gebruikten.

Leeftijdsgerelateerde maculadegeneratie
Uit de studie van Klein e.a.6-2014 blijkt dat er een verband bestaat tussen betablokkers en de kans op leeftijdsgerelateerde maculadegeneratie. Het gebruik van orale betablokkers gaat gepaard met een verhoogde kans op leeftijdsgerelateerde maculadegeneratie van 71%. De auteurs benadrukken dat als deze bevinding in replicatiestudies herhaald wordt, dat mogelijk consequenties heeft voor de zorg en het beleid bij ouderen, omdat ouderen juist vaak betablokkers gebruiken.

Kwetsbare ouderen

7-Ephor De voorkeur gaat uit naar de selectieve betablokkers omdat de bijwerkingen minder zijn, maar er zijn ook minder contra-indicaties. Uit deze groep gaat het om atenolol, bisoprolol, celiprolol en metoprolol (met gereguleerde afgifte). De voorkeur voor betablokkers kan natuurlijk ook voor andere ouderen gelden dan alleen voor kwetsbare ouderen.

STOPP en START criteria

Betablokkers niet combineren met de calciumantagonist verapamil of diltiazem vanwege de kans op een hartblok.

Betablokker stoppen of dosering verlagen bij bradycardie (< 50/min), bij een 2de graads AV-blok en een volledig AV-blok.

Betablokkers kunnen worden toegepast bij stabiele angina pectoris en na een myocardinfarct.

32 Hypnotica
Benzodiazepinen
Zolpidem en zopiclon

Toepassing
Slaapproblemen
Als ouderen slecht slapen, bedoelen ze vaak dat ze maar moeilijk in slaap komen, dat ze soms uren wakker liggen of al weer na een paar uur slaap wakker worden. Vallen ze wel in slaap, dan worden ze weer vroeg wakker. De volgende dag is men niet fit, moe en wat humeurig en wordt tegen de avond opgezien met de gedachte om opnieuw niet te kunnen slapen. Maar het kan ook zijn ouderen dénken dat ze niet kunnen slapen, maar overdag toch nog behoorlijk fit en niet moe zijn. In het laatste geval is wél goed geslapen, maar is dat niet zo ervaren en beleefd.
Voordat daarom slaapmiddelen worden voorgeschreven, is het verstandig om eerst het slaapprobleem in kaart te brengen. Misschien is een depressieve stemming of reuma wel de boosdoener. Wordt al heel lang slecht geslapen of is het middagdutje ongemerkt flink uitgelopen? Maar het kan ook zijn dat de patiënt die klaagt over slecht slapen 's avonds om 22.00 uur naar bed gaat en de volgende ochtend om 06.00 uur wakker wordt. Kennelijk is de 8 uur dan voldoende, zeker als men overdag gewoon fit is. Het is dus belangrijk inzicht te krijgen in het slaappatroon en eventuele achterliggende oorzaken op te sporen en aan te pakken.
Maar er kunnen natuurlijk wel degelijk ernstige slaapklachten zijn en die moeten dan ook behandeld worden. Feitelijk is het doel van slaapmedicatie om het slaapritme weer te herstellen en de patiënt het vertrouwen geven dat het geen lange nacht van wakker liggen wordt, maar een nacht waarin weer geslapen wordt. Hoewel de praktijk weerbarstiger is, is het niet de bedoeling slaaptabletten langdurig in te nemen. Niet alleen ter voorkoming van gewenning en verslaving, maar ook omdat ze steeds minder werkzaam worden.
In het algemeen gaat de voorkeur uit naar de zogenoemde kortwerkende hypnotica, zoals temazepam en lormetazepam. Ze werken snel en zorgen voor minder klachten overdag. De dosering voor temazepam is doorgaans 10 mg voor de nacht en lormetazepam 0,5 tot 1 mg 's avonds. De capsule temazepam mag niet geopend worden en de tablet lormetazepam mag worden fijngemaakt. Eventueel kan de capsule temazepam rectaal worden gegeven.
Zolpidem en zopiclon zijn ook benzodiazepine-achtige middelen. Ze hebben eveneens de slaapverwekkende werking, maar in een normale dosering heeft zolpidem niet de extra werkingen die we zien bij de benzo's. Zopiclon heeft deze effecten. zoals angstvermindering en spierontspanning, wel. Het zijn beide kortwerkende slaaptabletten en zijn samen met temazepam en lormetazepam de middelen van voorkeur.
De maximale duur van het gebruik van slaaptabletten is doorgaans 4 weken.
Ouderen genoemd in de huidige therapieën en richtlijnen
Farmacotherapeutisch Kompas
Bij benzodiazepinen kan paradoxaal gedrag optreden, zoals rusteloosheid.

De slaapbehoefte van ouderen is minder vergeleken met jongere leeftijdsgroepen en er is ook minder diepe slaap.
Hypnotica kunnen aanleiding geven tot geheugenproblemen en door de spierverslappende werking bestaat de kans op valpartijen.
NHG standaard Slaapproblemen en slaapmiddelen
De dosis bij ouderen moet laag zijn. Voor temazepam 10 mg en voor zolpidem 5 mg. Het recept moet ook een laag aantal tabletten hebben: 5 tot 10 stuks.
Recente wetenschappelijke studies
5,6In de praktijk gebruiken veel ouderen slaaptabletten veel langer dan de net genoemde paar weken. De vraag is dan of het de slaap echt blijft verbeteren en of de kans op bijwerkingen dan niet aanzienlijk toeneemt. Aan de andere kant vermindert slapeloosheid de kwaliteit van leven en is, net als bij het gebruik van slaapmiddelen, eveneens de kans op vallen vergroot. Uit een Canadese studie komt naar voren dat het chronisch gebruik van slaapmiddelen als zolpidem en zopiclon weliswaar voor betere slaap zorgt, maar dat nog onduidelijk is wat de effectiviteit en veiligheid is bij langdurig gebruik. Uit een Amerikaanse studie zijn er aanwijzingen dat het gebruik van zolpidem gedurende 8 maanden effectief blijft. De deelnemers aan het onderzoek die ouder waren dan 60 jaar en eveneens voldeden aan de criteria voor slapeloosheid, kregen een dosis van 5 mg in plaats van 10 mg die doorgaans aan jongere leeftijdsgroepen wordt voorgeschreven. De veiligheid van het middel gedurende de studieperiode was niet het onderzoeksdoel, zodat dat verder onderzocht moet worden. Verdere studies met grotere aantallen deelnemers zijn nog nodig, want bij deze studie was dat aantal beperkt (91), waarbij de deelnemers ook nog werden ingedeeld in een placebogroep en een behandelgroep (zolpidem).
Kwetsbare ouderen
De slaaptabletten van voorkeur bij kwetsbare ouderen zijn medicijnen die het inslapen bevorderen. Genoemd worden temazepam, zolpidem en zopiclon. Wanneer doorslapen nodig is kan gekozen worden voor lorazepam, lormetazepam of oxazepam.
7Ephor adviseert hooguit het gebruik van 2 weken en vooral aandacht te besteden aan factoren die de slaapkwaliteit bevorderen.
STOPP en START criteria
Benzodiazepinen zouden na een maand gebruik gestopt moeten worden, vanwege de kans op sedatie, verwardheid en valpartijen. Mochten ze toch langer gebruikt worden, dan moeten de benzodiazepinen worden afgebrouwd.
×
SERVICE
Contact
 
Vragen